Ware discipelen van Jezus Christus willen hun naasten graag helpen. De Heiland heeft gezegd: “Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.” (Johannes 13:35.) Met de doop verbindt men zich ertoe om de naam van Jezus Christus op zich te nemen. De profeet Alma heeft dit verbond aan een groep bekeerlingen die zich wilde laten dopen, uitgelegd. Hij zag dat zij verlangden “tot de kudde Gods toe te treden” en daarvoor bereid waren zinvolle naastenhulp te geven — “elkaars lasten te dragen, opdat zij licht zullen zijn” en “te treuren met hen die treuren; ja, en hen te vertroosten die vertroosting nodig hebben.” (Mosiah 18:8–9). (Trouw aan het geloof, Naastenhulp blz. 113.)

Laten we de vrijheid die voortvloeit uit ons vermogen onze eigen zaken te beredderen gebruiken om te geven en om te dienen.

Begrijpen we dan hoe onontbeerlijk onafhankelijkheid wordt als vóórvereiste tot dienstbetoon, vooral wanneer we ook inzien dat het godschap één en al dienstbetoon is? Als we niet in staat zijn helemaal voor onszelf te zorgen, hoe kunnen we dan deze ingeboren verlangens om te dienen in daden omzetten? Hoe geven als er niets is? Eten voor mensen met lege magen kan niet van lege planken worden gehaald. Geld ter ondersteuning van de behoeftigen kan niet uit een lege portemonnee komen. Steun en begrip kunnen niet van hen komen die gevoelsmatig ondervoed zijn. Onderwijs kan niet komen van hen die niet gestudeerd hebben. En wat het belangrijkste van alles is, er kan geen geestelijke raad en leiding uitgaan van hen die geestelijk zwak zijn.

Er bestaat dus een onderlinge afhankelijkheid tussen hen die wel hebben en degenen die niets hebben. Het proces van het geven voert tot de verhoging van de armen en de verootmoediging van de rijken, waardoor beiden geheiligd worden. De armen, bevrijd nu van de knellende banden en beperkingen van de armoede, zijn in staat om als vrije mensen tot volledige ontplooiing te komen, zowel tijdelijk als geestelijk. De rijken voegen zich naar het eeuwige beginsel geven, door mee te laten delen van hun overvloed. Eens, wanneer iemand héél of zelfstandig is gemaakt, steekt hij anderen de helpende hand toe en herhaalt het proces zich.

Voor ons allemaal geldt dat wij op bepaalde terreinen niet op anderen hoeven te steunen, en op andere terreinen wel. Ieder van ons behoort er daarom naar te streven anderen te helpen op terreinen waarop wij sterk staan. Tegelijkertijd, echter, mag valse trots ons er niet van weerhouden om dankbaar de helpende hand van de ander te aanvaarden zodra wij ergens werkelijk behoefte aan hebben. Dat niet te doen, ontzegt een ander de kans om deel te hebben aan een heiligende ervaring.

Het beginsel zelfstandigheid is geestelijk, evenals alle andere beginselen van het welzijnsprogramma. Het is ook geen programma voor een tijd van rampspoed, maar een programma voor deze tijd. Eén van de drie hoofdterreinen die onlangs werden behandeld in de uiteenzetting over de zending van de kerk, is de vervolmaking van de heiligen, en dat is het doel van het welzijnsprogramma. Dit is voor ons de tijd om ons leven te vervolmaken. Dat wij deze waarheden steeds voor ogen zullen houden, bid ik in de naam van Jezus Christus. Amen.