Eén van de mensen draait zich om. Hij heeft een extreem groot, kaal hoofd. Als hij mij opmerkt opent hij zijn mond. Of zeg maar gerust muil. Hij gooit zijn hoofd in zijn nek, zijn muil gaat wagenwijd open en hij stoot een angstaanjagend gehuil uit. Het wezen huilt als een wolf terwijl hij naar mij wijst. Dit lijkt het signaal voor de anderen om ook mijn richting uit te draaien. Elk wezen heeft hetzelfde kolossale kale hoofd met de grote muil en het gehuil wordt overgenomen door de anderen. Mijn hersenen reageren niet langer op mijn wil. Ik kan niets meer. Ik wil wegrennen maar sta daar slechts met half open mond. Zelfs voor ademen moet ik mezelf dwingen.

De wezens stoppen met zwalken en gaan over tot rennen. Dit is voor mijn hersenen eindelijk het signaal om mijn benen opdracht te geven hetzelfde te doen. Ik draai me om en ren zo hard ik kan terug de straat in vanwaar ik gekomen ben. Het gehuil wordt erger, bloeddorstiger, wilder. Ik voel de tranen over mijn gezicht lopen. Angst. Dat is het enige wat ik voel en wat me in beweging blijft houden. Pure angst. Ik weet dat stoppen gelijk staat aan sterven. Mijn spieren branden van inspanning maar ik blijf gaan. Ik durf zelfs niet meer om te kijken. Ik voel dat de wezens op een paar meter afstand zijn en dat het nog een kwestie is van een paar seconden voor ze mij te pakken hebben. En voor wat ze dan gaan doen heb ik echt niet veel fantasie nodig.

Ze komen. Ze zijn er eigenlijk al. Ik weet dat verzet zinloos is. Ze zijn gewoon met teveel. Boven me hoor ik ook weer het vleermuisgefladder. Ik voel dat het nog maar een kwestie is van enkele tellen. Ik begin te wankelen en bereid me voor op een klap van achteren, als ik ineens rechts van mij een deur open zie staan. Ik bedenk me geen moment en schiet er op af. De nieuwe hoop geeft me net dat beetje extra kracht voor een korte sprint. Ik ben bij de drempel van de deur als ik een klauw aan mijn shirt voel trekken.

Wordt vervolgd…..

Jan van Oranje
www.janvanoranje.nl