In de tijd van Paulus werd, in de relatie slaaf/meester, de slaaf behandeld als een wezen dat van nature inferieur was op grond van zijn lotsbestemming. De relatie met de meester was die van de vader tot zijn kind. De slaaf moest gehoorzamen, anders werd hij bestraft of gedood. Hij moest de meester liefhebben en de meester had hem lief zoals een baas zijn hond liefheeft. De slaaf was een bezit dat de meester toebehoorde. Zijn macht over de slaaf was totaal. Hij noemde hem meestal “kleine” of “kind” en de slaven noemden elkaar ook zo. Hun namen vormden een aparte klasse zoals bij ons de namen van honden (Fikkie, Lassie etc.). Slaven waren onbeduidende wezens zonder maatschappelijk belang. Ze hadden tot in de tweede eeuw geen vrouw of eigen kinderen, want hun liefdesleven en hun voortplanting waren als van kudde dieren.

Een slechte slaaf was iemand die zijn meester niet goed diende. Hij kon een gokker worden, een dronkaard, een lanterfanter of een rokkenjager. De meester moest het goede voorbeeld geven en niet te slap of familiair met hem worden. Het was een misdrijf om onderdak te bieden aan een voortvluchtige slaaf of om hem aan te moedigen om weg te lopen.

Slechte meesters behandelden de slaaf onmenselijk. Dat was niets bijzonders, maar de meester die zijn slaven mishandelde, daalde in aanzien bij de andere rijke burgers. In de tijd van Paulus waren er vrouwen die hun dienstmeisjes dermate mishandelden dat ze er binnen vier dagen aan stierven. Paulus had daar een mening over.

Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar door als slaven van Christus de wil Gods van harte te doen, en bereidwillig dienstbaar te zijn als aan de Here en niet aan mensen. Gij weet immers, dat een ieder, hetzij slaaf, hetzij vrije, al het goede, dat hij gedaan heeft, van de Here zal terugontvangen. En gij, heren, handelt evenzo jegens hen; laat het dreigen na. Gij weet immers, dat hun en uw Heer in de hemelen is, en bij Hem is geen aanzien des persoons. (Efeziërs 6:5-9.)

Spencer W. Kimball heeft aangetoond dat de raad van Paulus heden te dage nog van toepassing is, zelfs al is de slavernij feitelijk afgeschaft. Paulus heeft het hier over onheilige meesters, waarmee hij stellig doelt op werkgevers die hun bedienden of employé ’s tekort doen door hen niet behoorlijk schadeloos te stellen voor verrichte werkzaamheden of geleverde goederen. Blijkbaar denkt hij daarbij aan mensen die jegens hun ondergeschikten onvriendelijk, veeleisend en onattent zijn.

Kortom, een werkgever moet zijn personeelsleden overeenkomstig de ‘gulden regel’ behandelen, bedenkende dat er een meester in de hemel is Die zowel over werkgevers oordeelt als over werknemers want ook aan hen heeft Paulus een hoge maatstaf voorgehouden.

Naar hedendaagse begrippen kunnen wij dit zo opvatten dat bedienden en employé ’s altijd eerlijk een consequent voor de volle 100% hun dienst moeten verrichten en voor hun werkgever datgene moeten doen wat ook zij, als zij zelf werkgever waren, van hun personeel zouden verwachten. Iedere andere handelwijze of levensopvatting vereist bekering en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.