Mijn moeder houdt niet van knoflook. Nou is dat best een understatement te noemen. Elke keer als dit kleine kruidige spul hoe dan ook ter sprake komt, reageert ze met een welgemeend “Bèh!” Het komt werkelijk uit haar kleine “teentjes”. Lolbroek als ik ben, maak ik er wel eens misbruik van. Als ze me vraagt hoe ik bijvoorbeeld mijn goulash maak, som ik liefdevol de ingrediënten op en leg altijd even de nadruk op de hoeveelheid knoflook die ik erin stop. Alleen maar om die hartgrondige “Bèh!” te kunnen horen. Ze maakt er dan ook een typisch afkeurend hoofdgebaar bij. Gelukkig kan ze er twee seconden later wel om lachen. Maar dat maakt haar afschuw van knoflook niet minder.
Sinds kort heb ik ook een “Bèh!” Arjen Robben! Ik hoor en zie hem overal bewierookt en bejubeld worden, maar ik vind hem maar niks. Als ik dan weer zo’n uit de vut geplukte voetbalspecialist lyrisch hoor praten over deze ogenschijnlijke held van “ons” Oranje, kan ik mij zelf niet inhouden om een welgemeend, hartgrondig “Bèh” uit te stoten. Ik maak er ook een typisch afkeurend hoofdgebaar bij. Bèh. De held. Nou, echt niet. Als hij in mijn team zou spelen, had ik hem allang op de bank gezet of eruit gegooid. Robben. Zeg maar eerder Robben-Eiland. Robbenson Crusoë. Zodra meneer de bal heeft, verdwijnt alles en iedereen om hem heen. Als Zoef de Haas op die goal af. Er rennen meestal een man of twee met hem mee, die dan netjes voor ontvangst van een voorzet klaar gaan staan. Vrij staan. Ontzettend vrij staan! Maar Robbenson ziet dat niet. Hij heeft de oogkleppen van eigen succes op zijn hoofd. Zo heb ik al een aantal prutsmomenten gezien van Mr. Solo die, wanneer hij de bal gewoon afgespeeld had naar een medespeler, zeker 80% kansrijker waren geweest. En áls hij de bal al afgeeft, voorafgegaan door twijfel tot op de achterlijn en een medespeler hem erin krijgt, staat Ego Robben als eerste bij de cornervlag om het applaus van de doelpuntenmaker in ontvangst te nemen. Bèh, bèh, bèh! Ik begin zo langzamerhand een volleerd voetbalmopperaar te worden, dankzij Robben. Maar goed. Wat weet ik er eigenlijk van? He-le-maal niets!! Ik ging destijds met rollende tranen over mijn wangen bij mam achterop de fiets naar de voetbaltraining. Ja, ik heb ook op voetbal gezeten. Maar daar is ook alles mee gezegd. Dromerig in het veld lopen. Alle eksters en spreeuwen zien overvliegen en alle ballen die per ongeluk mijn kant uitkwamen missen. Naar Pap, die aan de kant stond, terug zwaaien. Terug zwaaien? Ja, ik dacht dat hij op mij zwaaide, maar hij bedoelde eigenlijk dat ik mee naar voren moest rennen. Dat was geen zwaaien, dat was ‘gebaren’. Wist ik veel. Als er één iemand was die in het voetbalveld op een eilandje stond, dan was ik het wel. Maar ik heb wél al eens gescoord! Eén keer maar liefst. Het was op training en we oefenden in het schieten van penalty’s. Geheel bewust van mijn onkunde nam ik, omdat het moest, de aanloop en gaf de bal een trap. Zonder te kijken waar de bal terecht kwam, draaide ik me meteen om en voordat ik twee passen genomen had, hoorde ik mijn collega “F-jes”, luid juichen! Oh, zat ie erin?? Blijkbaar. Twee seconden wereldfaam op het kleine voetbalveldje in Overhoven. Misschien is het de frustratie over mijn mislukte voetbalcarrière, die maakt dat ik zo reageer op Robben. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Ieder zijn eigen ‘Knoflook’… Bèh!