”Is deze plek vrij?” vroeg een oude vrouw met wandelstok in haar hand.

”Jazeker. U kunt gerust zitten,” zei ik.

Ze was duidelijk vermoeid geraakt en nam naast mij plaats op de bank. Haar hoge ademhalingsfrequentie begon langzamerhand te dalen.

Zo af en toe vond ik mijn weg in het park die zich niet ver van ons huis bevond. Soms om een krantje te lezen of tot rust te komen. En elke keer dat ik me in het nogal rustige park bevond, kwam ik haar tegen. Vaak gewoon op dezelfde bank en voor zich uitstarend. We waren eigenlijk niet geheel onbekenden van elkaar. Ook nu bleef ze voor zich uitstaren. De stilte duurde mij te lang. Ik sloeg nog een pagina in de krant om en probeerde een openingszin te bedenken. Deels uit nieuwsgierigheid en deels uit medelijden.

”Mevrouw, u komt hier toch wel vaker?” vroeg ik.

”Ja, ik heb jou ook een aantal keren hier gezien.”

”U moet het hier wel naar uw zin hebben.”

”Ik kwam hier vaak met mijn man naar toe,” zei ze.

”Waar is hij nu dan?” vroeg ik hoewel het antwoord wat zij gaf voor mij niet als verrassing overkwam.

”Hij heeft mij verlaten.”

Nog steeds een gevoelig onderwerp. Ik kon zien dat haar ogen vochtig werden. Ik zag haar slikken. Snel probeerde ik van onderwerp te veranderen.

”Het is vandaag vijf mei. Bevrijdingsdag.”

”Klopt.”

”De dag dat het Duitse leger zich hadden overgegeven. De dag van de bevrijding van ons eigen territorium.”

Mijn bedoeling was haar op te vrolijken, maar kreeg niet het gevoel hierin geslaagd te zijn.

”Ik was acht toen ze mijn moeder en oudste zus meenamen,” vervolgde ze met licht trillende stem.

Beter leek mij de stilte de voorkeur te geven. Haar leek met alle onderwerpen, waar ik een gesprek over probeerde te voeren, iets ellendigs te zijn overkomen. De stilte zegevierde, totdat zij mij een vraag begon te stellen.

”Hoe bevrijd is de mens eigenlijk vandaag de dag?”

Ik begreep niet waar zij het gesprek naar probeerde te leiden.

”Hoe bedoelt u?” vroeg ik. Dit keer was haar antwoord totaal onvoorspelbaar voor mij.

”Onbewust zijn wij nog steeds gevangenen. Gevangenen van een bepaald territorium op deze wereld.”

”Hoezo?”

Je hoeft maar op straat te lopen, een krant om te slaan of een televisiezender te bekijken om te zien dat er van volledige vrijheid geen sprake is. Een ander belangrijke Bevrijdingsdag moet nog komen.”

Nadat ze dit had gezegd stond ze op.

”Ik begrijp u niet, mevrouw,” was mijn reactie.

”Dat komt nog wel. Ik hoop dat ik u niet verveeld heb, maar het is weer tijd om de benen te bewegen,” gaf zij aan.

Ik had behoefte aan meer uitleg. Die hoopte ik de volgende keer te kunnen krijgen als ik haar weer in het bekende park zou tegenkomen. Ik liep richting huis.

 

”Hallo buurman!” groette het kind van onze naaste buren.

”He, alles goed?”

”Ja, vanavond speelt Turkije tegen Duitsland.”

”En, wie gaat er winnen?”

”Turkije natuurlijk!” zei ze vol zekerheid.

Terwijl ik thuis begon te naderen, sloeg ik nog een pagina in de krant om en las dat de burgemeester grappen had gemaakt over overvallen Chinese restaurants. Op dezelfde pagina werd ook vermeld dat het ontwikkelingshulp aan de Derde Wereldlanden aan banden gelegd zou worden.

Eenmaal thuis aangekomen zag ik dat mijn vader televisie zat te kijken.

”Papa, waarom kijk je altijd naar dit kanaal?”

”Dat is alleen maar beter voor ons. Ons eigen kanaal heeft er dan voordeel van. Hoe vaak heb ik je dat wel niet gezegd?”

 

Ik nam de trappen naar mijn slaapkamer en legde me neer op bed. Ik bleef naar het plafond staren. Het lukte mij niet om mijn zorgen weg te nemen. Zij had gelijk in alles wat ze zei. Het is overal aanwezig, maar we zijn van de gevangenneming niet bewust.

De volgende ochtend liep ik langs het park om te zien of ik haar ergens kon vinden. Haar aanwezigheidstijden waren mij bekend. Ik kon haar niet vinden. Die ochtend niet en later ook niet meer. Ik had haar zo graag willen vertellen dat ik haar nu begreep. Ik begreep haar ten volle.

Een ander belangrijk Bevrijdingsdag moet inderdaad nog komen.