Opa zit te knikkebollen. Ik zit naast hem. Op het bankje bij de dierenboerderij. Hier zitten we elke dag van twee tot vier. Dan is het bezoekuur. Het zijn stilzwijgende gesprekken die we tegenwoordig voeren. Soms denk ik dat alles wel gezegd is.

In de dierenweide rennen bont gevlekte varkens naar het hek. Daar staat een medewerker met een emmer voer. Hij rammelt er driftig mee en roept. Ik wist nooit dat varkens konden rennen. Een blond meisje van een jaar of zestien voert de geiten takken van de berkenboom. Opa ziet het niet.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat de baas op ons af loopt. Hij heeft een grote grijze snor. “Zo, zit u lekker in het zonnetje?” vraagt hij luid. Opa schrikt op en glimlacht. We praten over het weer en de dieren. De snor zit duidelijk verlegen om een praatje. Hij denkt dat wíj het zijn die een gesprekje nodig hebben. Als je in een rolstoel zit te dommelen, krijg je al gauw een stempel. Eenzaam. Zielig. Een praatje maken geldt dan als een goede daad.

Als de snor vertrokken is, wijst opa naar de ganzen. “Kijk, ze hebben jonkies.” Dat zei hij gister ook. En de dag daarvoor. Toen waren het nog kleine pluizenbollen, die gansjes. Het zijn er zeker acht. Ze lopen dommig achter elkaar langs het water. Ganzen zijn monogaam en blijven hun leven lang samen. Net als opa en ik.

Wist je dat we elkaar leerden kennen op de dansschool? Opa danste met Marie en ik met Jan. Marie was zijn nichtje en Jan mijn oudere broer. Dat ging toen zo. Je kon niet met een vreemde naar de dansschool gaan. Door Jan mocht ik op dansles. Zo werd mijn wereld in dit dorp een beetje groter.

De dansschool stond op de plek waar nu je opa woont. Het was niet meer dan een gammele keet. Toen Jan een keer niet mee kon dansen, vroeg opa of ik het met hem wilde proberen. Marie was ziek, dus hij was ook alleen.

Opa pakte mijn hand. Die was een beetje klam. Misschien was hij nerveus. Onze eerste dans was een Engelse wals. Het was de bedoeling dat we soepel en zwierig dansten. Maar we botsten nogal eens. Dat is altijd zo gebleven. We botsen nog al eens.

Na die eerste dans vroeg opa mij mee voor een wandeling. We liepen naar de dierenboerderij. Die was er toen ook al. De snor was toen nog niet geboren. Het waren de schapen die onze aandacht trokken. Grof in de wol. Kauwend of slapend. Dat was alles wat die schapen deden.

Bij het hek stond ook deze kastanjeboom. Met daaronder dit bankje. Het was donkergroen en de verf was afgebladderd. Opa stelde voor om te gaan zitten. Hij bood me een klef dropje aan. We keken naar de dieren. Gespannen. Ik was nooit eerder met een jongen mee gegaan.

De weken daarna herhaalde zich dit tafereel. Jan en Marie liepen dan ook een rondje. Zij zaten op een ander bankje. Ze begrepen denk ik wel hoe de vork in de steel zat. Opa en ik deelden dropjes. We spraken niet veel, maar lachten samen om de koddige dieren achter het hek.

Na een maand waagde hij het met zijn beide handen mijn linker hand te pakken. Hij streelde mijn vingers en leek even na te denken. Toen kuchte hij, draaide zijn hoofd naar me toe en vroeg of ik met hem trouwen wilde. Ik heb toen ja gezegd. Dat was op ditzelfde bankje. Dat was toen groen en is nu blauw. En wij zijn beiden grijs.