Op een mistige zaterdagochtend in december laat ik mijn trouwe herdershond uit op het braakliggende terrein achter mijn huis. Het stuk grond geeft een mysterieuze aanblik, de laaghangende mist over het met rijp bedekte groen. Hier en daar zijn kleine plassen water al met een dun laagje ijs bedekt. Bovenin een kale boom zit een uit de kluiten gewassen zwarte raaf. Hij houdt ons scherp in de gaten zonder zich te verroeren. Op dat moment ziet mijn hond een konijn dat schijnbaar op zijn gemak de straat oversteekt. Blij dat het jachtspel begint rent de hond op het konijn af, om even later met zijn neus tegen het konijn tot stilstand te komen. Het konijn verroert zich niet. De hond duwt nog met zijn neus tegen de vacht van het konijn en geeft het daarna op. Geen lol aan, een konijn dat niet wegrent. Het zoveelste konijn welteverstaan.

Zes jaar geleden was het nu braakliggende terrein nog een mooi klein stukje bos, totdat we werden  opgeschrikt door bulldozers en zaagmachines die met grof geweld de meeste bomen als luciferhoutjes omknakten. Bouwrijp maken noemden ze dat. Fazanten, konijnen en alles wat nog rennen of vliegen kon maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten, waarbij meer dan de helft vijf minuten later op de achterliggende snelweg zijn einde vond.

Helaas bevond ons land zich inmiddels in een opkomende, niet meer te stoppen financiële neerwaartse spiraal. Bedrijven trokken hun plannen in en de grond bleef leeg en verlaten. Het onkruid vond een weg door de drassige bodem en overlevende dieren keerden terug en waanden zich kortstondig in het nieuwe paradijs. Vooral konijnen wisten zich in een mum van tijd te herpakken. In hun holen ontstonden incestueuze gezinsuitbreidingen. Er was voedsel genoeg en weinig te vrezen van verkeer. Het grootste gevaar was eigenlijk mijn hond, mijn Duitse herder. Ik liet hem ook vrij zijn gang gaan wanneer we over het inmiddels moerassige terrein liepen. Hij had de grootste pret om achter de honderden konijnen aan te rennen die voor zijn ogen uiteenstoven. Het leek een onschuldig spel, waarbij hij nooit een konijn te pakken kreeg. Dat leek ook niet de opzet.

De laatste weken werd het konijnenoverschot steeds kleiner. De aanblik van de weggevreten karkassen drong zich regelmatig op aan mijn netvlies. De dierenambulance deed onze wijk bijna dagelijks aan. Ik besloot de bestuurder van de ambulance te vragen wat er aan de hand was. Hij was net een plastic bak zorgvuldig aan het ontsmetten. Hij had een konijn gevangen dat  totaal gedesoriënteerd  rondjes waggelde in onze wijk, terwijl de buurtkatten er een spel van maakte om toe te slaan en dan weer los te laten.

Ik gruwelde van de openlijke wreedheid van de katten. De man vertelde me dat de konijnenziekte was uitgebroken. Een virus genaamd myxomatose. Het virus is ooit door ons, mensen, in Australië uitgezet omdat ze daar kampten met een konijnenoverschot. Het liep echter uit de hand. Het virus, dat zich verplaatst via muggen of konijnenvlooien wist ook Europa te bereiken. In het eerste stadium ontstaan er onderhuidse  pijnlijke gezwellen over het hele lijf van het konijn, ook bij de ogen, neus en anus. Vervolgens wordt het konijn praktisch blind en kan het niet meer eten of drinken, waardoor hij langzaam maar zeker een gruwelijke dood zal sterven. Ik staarde de man aan. Hadden wij dit veroorzaakt? Ik liep naar huis, gedesoriënteerd en verward.  De katten vertoonden gedrag wat past bij hun instinct, niet bewonderenswaardig maar te verklaren. Ik bespreek mijn verbazing met mijn hond en hij weerspiegelt mijn wanhoop met een lege vragende blik.