De vlag kan uit, ik ben geslaagd! Enkele weken geleden heeft een rijexaminator, op hoop van zegen, bepaald dat ik voortaan in staat moet zijn, een auto zonder het waakzame oog van een rijinstructeur door het verkeer te manoeuvreren. Nog steeds voel ik zijn warme handendruk bij het uitspreken van zijn felicitaties en nog steeds ben ik hem dankbaar voor zijn professionele, vriendelijke en rustgevende benadering, waarmee hij mijn blokkades tijdens het examen behoedzaam heeft laten afbrokkelen. Nee, met blokkades bedoel ik niet de gezonde spanning die je voorafgaand aan een examen voelt om optimaal te kunnen presteren, maar de oncontroleerbare, verlammende, allesvernietigende gemoedsaandoening, die elke vorm van helder denken volledig uitschakelt.

Vele jaren waren auto’s voor mij zoiets als heksen, monsters en spinnen onder het bed. Regelmatig baanden zij zich een pad door mijn dromen. Vluchten was geen optie, het portier zat op slot, als een prooi in een kooi zat ik, vergezeld van hartkloppingen en buikpijn, achter het stuur. Mijn nachtmerries stuurden mij met het voertuig alle richtingen op. Uren stond ik in de file, op onverklaarbare wijze navigeerde ik de wagen het water in, stenen vielen van viaducten op mijn voorruit en auto’s grepen mij van alle kanten. Ik raakte bij de zwaarste verkeersongelukken betrokken, bracht het leven van mijn inzittende kinderen in gevaar en werd met loeiende sirenes afgevoerd naar het ziekenhuis. Dan werd ik wakker, zweetparels stonden op mijn voorhoofd en mijn hart klopte in mijn keel. De hersenspinsels waren ineens verdwenen en de nieuwe ochtend gedroeg zich bedrieglijk alsof er niets aan de hand is geweest. Je begrijpt, dat ik mijn ongewenste nachtelijke uitstapjes niet echt kon waarderen.

Overdag hielden mijn monsters en soortgenoten zich koest en alleen als dappere bijrijder genoot ik af en toe van het gemak, waarmee een auto je in een mum van tijd van A naar B brengt. Ik was er zeker van, dat ik nooit ook maar één stap zou zetten om mijn rijbewijs te halen, want wees nou eerlijk, wie zou nou vrijwillig zijn spoken onder het bed vandaan lokken?

Toen kwam de dag, dat zoonlief amper 18 jaar, op het grandioze idee kwam om zijn rijbewijs te halen. Ik snapte er niets van. Had ik hem voor niets leren lopen en fietsen? Was hij nu helemaal gek geworden? Waar was zijn gevoel voor veiligheid? En als hij het nou echt vertikte om zijn benen te gebruiken, waarom kon hij dan niet gewoon de bus of de trein pakken?

De antwoorden op mijn vragen bleef Nico, die de kinderschoenen maar net was ontgroeid, mij uiteraard schuldig en in no-time hield hij het felbegeerde “roze papiertje” in zijn handen. “En nu jij!” zei hij triomfantelijk voordat hij de deur uitliep. Nooit zal ik deze zegevierende grijns in zijn gezicht vergeten.

Tactisch probeerde ik in de daaropvolgende tijd het onderwerp “rijbewijs” te ontwijken, maar heel diep in mijn hart voelde ik voor het eerst in mijn leven een soort jaloezie. Ik had ook zin in dat “Vrijheid-blijheid-gevoel” waarmee mijn zoon trots onze autosleutel inpikte, om dan gezellig met zijn vrienden een weekeindje de hort op te gaan, maar de natuur had mij nu eenmaal voorzien van het “Anti-autorij-gen”, een in de diepste lagen van mijn ziel verworteld en onuitroeibaar “angstgennetje”.

Steevast was ik ervan overtuigt, dat geen enkele rijinstructeur bij machte is, de gevolgen van mijn genetische afwijking in goede banen te leiden. Het nemen van rijlessen zou er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toe leiden, dat ik de meest slechte chauffeuse van de wereld zou worden, verondersteld dat ik op deze aarde daadwerkelijk ergens een rijexaminator zou vinden, die het in zijn bolle hoofd zou halen mij te laten slagen voor het rijbewijs. Lijdzaam accepteerde ik daarom, dat het universum het beste af is met een ongemotoriseerde Sylvia.

Met dit wijze inzicht had ik kunnen leven, als Nico niet op een dag zomaar, overmoedig, onbeschoft en eigenwijs ergens een rijles voor mij zou hebben geregeld. Natuurlijk was ik hier niet van gediend, sputterde ik tegen en had ik de les, met een verwijs naar het rebelse gedrag van mijn zoon, kunnen afzeggen.

Een of ander mysterieus gevoel hield mij echter tegen en wilde dat mijn onderbewustzijn mij niet meer langer saboteert. Dwars en obstinaat volgde ik, tot verbazing van zoonlief, iedereen en mezelf, deze voor me voeten gegooide eerste rijles en nog een, nog een, nog een en nog een……twee en een half jaar lang. “Weg met je slachtoffergedrag, ” fluisterde een klein onzichtbaar mannetje in mijn oor. “Kom maar op met je bizarre spoken.” Door diepe dalen ben ik gegaan en de wanhoop was ik nabij (en de instructeur ook). De geesten lieten zich niet klakkeloos verjagen, weerbarstig verdedigden zij hun positie. Driftig en vastberaden probeerden zij mij te controleren en te manipuleren. Ze lachten mij uit als de rijinstructeur min of meer geduldig op mij inpraatte, ze wilden mij de berm induwen, ze lieten mij rechts afslaan terwijl ik naar links wilde, ze stuurden mij de busbaan op, lieten voetgangers angstvallig op zij springen als ik met trillende handen het zebrapad naderde, ze scholden mij uit voor wegpiraat, kneus en snelheidsduivel. Ze lieten de tranen over mijn wangen rollen wanneer ik, opgejaagd door de instructeur, met de astronomische snelheid van 130 kilometer per uur colonnes met vrachtwagens inhaalde en dansten uitbundig om mij heen, toen de rijexaminator bij een kopje koffie een poging waagde mij zo aardig mogelijk mede te delen dat ik het weer eens niet had gehaald.

Ondertussen is dit verleden tijd en mijn spoken heb ik door noeste arbeid geleerd in bedwang te houden. Na de zesde keer afrijden mocht ik eindelijk, trots en gelukkig, mijn welverdiende rijbewijs in ontvangst nemen. Mijn auto en ik beginnen inmiddels zachtjes aan echte vriendjes te worden, het vertrouwen in elkaar groeit, net als in elke prille relatie, beetje bij beetje en terwijl onze blikken zich teder kruisten, hebben wij elkaar, vanuit het diepst van ons hart, beloofd om te allen tijde goed op elkaar te passen.