In een vorige column heb ik verteld hoe de Joden uit de tijd van de apostelen over het algemeen stonden tegenover de wet van Mozes. De Joden die zich het strengst aan die wet hielden waren van een Joodse sekte namelijk de farizeeën, de groep die Jezus, om hun huichelarij aan de kaak stelde. (Zie Matteüs 23.) Dit was ook de groep die door Paulus genoemd werd. (Handelingen 26:5.) Hoewel hij een Jood in de diaspora was, was Paulus opgevoed als “Farizeeër” want hij was een zoon van een Farizeeër. (Handelingen 23:6.) Hij noemde zichzelf een “Hebreeër uit de Hebreeën” en zo iemand was “onberispelijk” voor wat het strikt naleven van de wet van Mozes betrof. (Filippenzen 3:5-6.)

Na zijn visioen en bekering te Damascus veranderde Paulus zijn houding betreffende die wet. De wet van Mozes was vervuld en door het zoenoffer van Christus te niet gedaan. Reeds in de tijd van de marteldood van Stefanus beschuldigde de Farizeeërs de heiligen ervan dat zij “de zeden wilden veranderen die Mozes hun had overgeleverd”. (Handelingen 6:14.) Hoe snel of op welke manier deze verandering plaats vond weet ik niet. Wat ik wél weet is het feit dat vragen met betrekking tot de bindende aard van die wet voor nieuwe bekeerlingen het hoofdthema werd van de vele brieven die Paulus schreef en richten aan de verschillende christelijke kerken. De zendbrief aan de Galaten en Romeinen waren er in het bijzonder op gericht de lezers ervan te overtuigen dat, voor zover het de christenen betrof, de wet van Mozes dood was. Deze zendbrieven dateerden uit 55–57 n. Chr.

De zendbrief aan de Galaten is wellicht geschreven aan veel gemeenten van de kerk door heel Galatië, waar sommige kerkleden bezig waren het evangelie los te laten omdat zij de voorkeur gaven aan de Joodse wet. In deze brief legt Paulus de bedoeling uit van de wet en de waarde van een geestelijke godsdienst. De zendbrief aan de Romeinen heeft hij vanuit Korinte geschreven, ten dele met de bedoeling de Romeinse heiligen voor te bereiden op het bezoek dat hij hun wilde brengen. Deze brief bevestigt tevens bepaalde leerstellingen die werden aangevochten door een aantal Joden die zich tot het christendom hadden bekeerd.

Niet alle Joodse bekeerlingen in de kerk van Jezus Christus waren het met Paulus eens. Een groep was het er beslist niet mee eens en dat waren waarschijnlijk de Farizeeërs want zij hielden vol dat de wet van Mozes door God gegeven was om door alle tijden heen in acht te worden genomen en zij werden hierom bekend als de Judaïstische partij terwijl die aanduiding als zodanig niet in de schriften voorkomt. Over het algemeen waren het gelovige joden die het christendom louter als een uitgroeisel van het Jodendom zagen en als zodanig bleven zij halsstarrig druk uit oefenen op een starre en onbuigzame naleving van de wet van Mozes. Het zal ieder die naar ware bekering heeft gestreefd duidelijk zijn hoe moeilijk het is om oude gewoonten van zich af te zetten en deze door nieuwe te vervangen. De wet van de besnijdenis was voor Petrus, Paulus en andere Joden heel gewoon. Zelfs van de niet-Joodse bekeerlingen die zich bekeerden tot het Jodendom werd verlangd, wanneer zij echt door hun pas verworven vrienden geaccepteerd wilden worden, dat zij deze wet van Mozes in acht namen en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.