Vierduizend jaar lang, van Adam tot Christus, beval God zijn volk offers te brengen. Zij die gehoorzaam waren, offerden de eerstelingen van de kudde en dat moesten jonge dieren zijn zonder gebrek of iets wat niet deugt, (Deuteronomium 17:1, Leviticus 22:20) als een symbool van de onschuld en reinheid van Christus die zelf zou sterven als offer voor de zonden van hen die zich bekeren. Het is ondenkbaar dat God in vroeger tijden ooit offeranden zou hebben aanvaart, indien zij die het offer brachten, niet oprecht waren en zich oprecht bekeerden. Ze zouden hun offers dan tevergeefs gebracht hebben.

Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen. (1 Korintiërs 11:23-30.)

Het wordt u eveneens geboden niemand die tot de kerk behoort uit uw avondmaalsdiensten te verwijderen; maar indien iemand overtreden heeft, laat hem dan niet nemen totdat hij tot verzoening is gekomen. (LV 46:4.)

     En nu zie, dit is het gebod dat Ik u geef, dat gij, wanneer gij het bedient, niemand die het onwaardig is, bewust zult toestaan te nemen van mijn vlees en bloed; want wie mijn vlees en bloed eet en drinkt die het niet waardig is, eet en drinkt verdoemenis tot zijn ziel; daarom, indien gij weet dat iemand het niet waardig is om van mijn vlees en bloed te eten en te drinken, zult gij het hem verbieden. Evenwel zult gij hem niet uit uw midden werpen, maar hem het woord bedienen en voor hem bidden tot de Vader in mijn naam; en indien hij zich bekeert en zich in mijn naam laat dopen, zult gij hem aannemen en hem mijn vlees en mijn bloed bedienen. Maar indien hij zich niet bekeert, zal hij niet onder mijn volk worden gerekend, opdat hij mijn volk niet vernietigt, want zie, Ik ken mijn schapen, en zij zijn geteld.

(3 Nephi 18:28-31.)

Hoe ernstig is het wanneer iemand doet alsof hij de zegeningen van het Avondmaal geniet, terwijl hij geen gebroken hart en een verslagen geest offert, en een oprecht berouw aan de dag legt over de zonden en zwakheden die hij al worstelend dient te overwinnen?

God zou nooit zulke strenge geboden over het Avondmaal geven, zonder een weg te bereiden voor het gehoorzamen van die geboden, want: “Ik zal heengaan en de dingen doen die de Heer heeft geboden, want ik weet dat de Heer geen geboden aan de mensenkinderen geeft zonder een weg voor hen te bereiden, zodat zij kunnen volbrengen wat Hij hun gebiedt”. (1 Nephi 3:7.) En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.