Vreemd genoeg woonde de meeste Joden in de dagen van de apostelen noch in Jeruzalem noch in de onmiddellijke omgeving. Ze woonden in gemeenschappen, verspreid over heel het Romeinse rijk en maakten deel uit van wat bekend stond als de diaspora of anders gezegd; “het volk in de verstrooiing”. Bijna elke stad telde een voldoende aantal van deze mensen om over een plaatselijke synagoge te beschikken.

     De diaspora begon in 721 v. Chr., onder Sargon II van Assyrië, die de inwoners van Israël , de tien stammen van het Noordelijke koninkrijk in Palestina in ballingschap wegvoerde. Later veroverde Nebukadnessar Juda, het Zuidelijke koninkrijk en verwoeste omstreeks 589 v. Chr. Jeruzalem, waarna hij zijn gevangenen (de twee stammen) naar Babylon wegvoerde. Zo’n zeventig jaar later gaf Cyrus, de goedhartige koning van Perzië deze verbannen Joden toestemming om naar hun geboorteland terug te keren en hun heilige tempel te herbouwen. Alleen keerden zij niet allemaal terug.

     Later, toen Alexander de Grote de bekende wereld veroverde veroorzaakte dat veel vluchtelingen die uit het Heilige land vertrokken.  Velen van hen die zich in andere landen vestigden, vroegen en kregen later hun Romeins burgerrecht. Ook Paulus bleek uit zo’n gezin te komen en was daar geweldig trots op zoals wij kunnen lezen in Handelingen 21:39 en 22:25-29. Volgens zijn eigen getuigenis was hij op de achtste dag na zijn geboorte besneden, uit het volk van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën en naar de wet een Farizeeër. (Filippenzen 3:5-6.)

     Zonder enige twijfel werden deze verspreide Joden beïnvloed door de wereld om hen heen. Na verloop van tijd hadden velen de neiging hun Joodse exclusiviteit te verliezen en een te worden met hun omgeving. De Joden die in Griekenland terecht waren gekomen werden in zo’n geval aangeduid als hellenistische of Grieks-sprekende Joden. (Handelingen 6:1, 9:29, 11:20.) Alleen op godsdienstig gebied bleven ze Joden en zelfs daarin waren zij niet al te streng. Anderen wisten zich tegen elke soort van vermenging te weren. Ze hadden vriendelijke betrekkingen met hun medemensen zonder hun Griekse of Romeinse leefwijze over te nemen.

     Een goed voorbeeld van de diaspora zijn de Joden over wie in Handelingen 2:5 wordt gesproken. Ze worden in Handelingen 2:9-11 beschreven als Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren.

     Zelfs toen zij verstrooid waren bleven de Joden Jeruzalem zien als hun geestelijk thuis op aarde en in het bijzonder waren dat de Hebraïci die afgestudeerd waren in de Hebreeuwse taal en cultuur, daar les ingaven en grote kenners waren van deze Semitische taal. De pelgrimstochten naar de Heilige Tempel, die voor de gene die het meest afgelegen woonde geen jaarlijkse reis was, was het wel een geweldige gebeurtenis waar met gretigheid naar werd en wordt uitgezien. Alle getrouwe Joden bleven de halve shekel belasting betalen die voor het onderhouden van de eredienst in de tempel ingevoerd was. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.