Satan en zij die met hem, tegen God in de hemel, rebelleerden en werden uitgeworpen (Openbaring 12:9) staan ook bekend als zonen des verderfs. Deze opstandige geesten “gaven de keus aan het kwaad, nadat zij het licht hadden ontvangen.” In de tegenwoordigheid van God “kwamen zij bewust in opstand”. Hun zending op aarde is te trachten de zielen van de mensen te vernietigen en hen net zo ellendig te maken als ze zelf zijn. Deze tweede groep zal uit de doden worden opgewekt, maar zal niet worden verlost van de tweede (geestelijke) dood en zal niet in een koninkrijk van heerlijkheid kunnen wonen. (LV88:32, 35.)

Niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs. (Joh. 17:12.) Want het is onmogelijk hen weer opnieuw tot bekering te brengen. (Hebr. 6:4–6.) Het Latijnse woord “Perditus” dat gebruikt wordt in                      2 Tessalonicenzen 2:3 betekend vernietigen, verdelgen, uitroeien of verderven. “Verderf” was een titel die aan Satan gegeven werd. (LV 76:26.) Paulus doelt dus in 2 Tessalonicenzen 2:3 met de opmerking “zoon des verders” op Satan.

Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.” (2 Tessalonicenzen 2:7.) Deze passage kan derhalve worden uitgelegd als een verklaring dat de geest van goddeloosheid reeds actief was, maar dat hij nog enige tijd zou worden beteugeld of belemmerd in zijn werk. Later zou ook die beperking worden weggenomen en zou de boze aan de macht komen.

Wie of wat er nu precies bedoeld wordt met “weerhout”, heeft aanleiding gegeven tot discussie. Een aantal schrijvers houdt het erop dat de tegenwoordigheid van de apostelen op deze manier werkte, terwijl anderen geloven dat ‘de teugels van de macht van het Romeinse bestuur’ er mee wordt bedoeld. Het is bekend dat de Romeinse politiek erop gericht was godsdiensttwisten tegen te gaan, en een grote mate van vrijheid in de vorm van aanbidding toe te staan, zolang de goden van Rome niet werden belasterd of hun heilige plaatsen niet onteerd werden. Toen de Romeinse oppermacht in betekenis afnam, kon het “geheimenis der wetteloosheid”, belichaamd in de afval, praktisch zonder tegenstand zijn werk doen.

De uitdrukking “geheimenissen der wetteloosheid” zoals die door Paulus wordt gebruikt is veelbetekenend. De Grieken waren de eersten die het christelijk geloof verdraaiden want zij vielen de eenvoud en het gebrek aan exclusiviteit van het geloof aan. De eerste veranderingen in de christelijke vorm van aanbidding werden door de Grieken gekenmerkt door het invoeren van mystieke ceremonieën en dat is niet het christendom wat Jezus Christus voor ogen had.

Volgens de geïnspireerde versie slaat de uitspraak “tot dat hij verwijderd is” op Satan, die ellende, ongeluk en zonde over de gehele wereld bracht en nog brengt. Hij zal daarmee doorgaan totdat hij door de Heer, aan het begin van het duizendjarig rijk wordt gebonden. (Openbaring 20:1-3, Zie McConkie, DNTC, deel 2, blz. 63.) De geïnspireerde versie luidt: “Want het geheimenis der goddeloosheid is reeds in werking, en hij is het die nu aan het werk is, en Christus laat hem toe te werken, totdat de tijd vervuld is dat hij uit de weg zal worden geruimd”. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.