Dooie Mus

Ik heb een moord gepleegd! Dat valt u koud op het dak, maar het is waar. Ik beken en beloof de waarheid en niets dan de waarheid te zullen spreken. Zo waarlijk helpe mij, enz.
Er waren verzachtende omstandigheden. Het was onopzettelijke doodslag en het slachtoffer was een mus. Mijn schuld was ‘haast’; de schuld van de mus onoplettendheid’.

Hoe voelt een beklaagde zich na zijn daad? Beroerd mensen. Want al is het maar het lijk van een mus, tóch doet het je iets. Mij in ieder geval wel. Het “Gij zult niet doden” leef ik zeer consequent na. Ik ben name­lijk een zachtmoedig mens, die letterlijk geen mug zal doodslaan. Liters bloed heb ik in de loop der jaren al aan deze slaapkamervampiers ver­strekt. De ellendelingen hebben me geboekt als een halfzachte donor en nemen allerlei kennissen en familieleden mee ten eten. “Steek de zuig­nap er maar in, jongens, slobberen maar. Géén gevaar. Hij doet gega­randeerd niks!”
Het dierlijk instinct schijnt in het snotje te hebben, dat ze het bij mij buiten de pot kunnen doen. Legioenen mieren marcheren opschepperig door voortuin en over pad, ja . . . patrouilleren zelfs tot in mijn huiska­mer. Als ik thuiskom, loop ik behoedzaam met hoog opgetrokken voeten, als een landbouwer wadend bij een watersnood, om toch vooral geen mierenbeesten te verpletteren.

Begin maart heb ik twee weken lang een privé-huisvlieg gehad. Het beest jende me met sadistische wellust. Hij bad en smeekte om een dood­klap. Het gezegde: “Een vlieg in maart is een daalder waard”, waarmee zo’n ijselijke moord wordt goedgepraat, ging bij hem niet op. Hij kon ongestraft álles maken en dat deed hij ook. Schaamteloos en zonder ma­nieren at hij mee aan tafel, wandelde ongegeneerd over de bladzijden van mijn boek en sopte met zijn voorpoten in mijn koffie als een zwem­mer, die de temperatuur van het water voelt. Mijn zwakke slag- en wuifbewegingen vond hij enorm komiek. Brom­mend van de razende lol maakte hij dan een aantal dolle cirkels om mijn gefronst hoofd, wipte vlak voor mijn neus op en neer en ging mij daar­na op vijftig centimeter afstand kopschuddend observeren. Hij staarde me met zijn uitpuilende facetoogjes oubollig aan, wreef zich genoeglijk de pootjes en grinnikte: “He, he, hè, wat een dooie diender!”
Het ondier bezat ook een radar. Daarmee spoorde hij me op in de slaapkamer en bleef dan als een sarrig minihelikoptertje het grootste gedeelte van de nacht om me heen ronken. Ten einde raad heb ik hem, héél voorzich­tig (zo’n gazig vleugeltje kreukt zo gauw) gevangen en buiten het raam gezet. Het was een héle foute zet. In no time was meneer terug in gezelschap van een frivool vliegengrietje. Een vlot vriendinnetje, dat hij en passant opgepikt had. Hun nakomelingen verduisteren nu het lamplicht.

Maar goed, terug naar het misdrijf. Met een doffe klap sneefde de mus. Toen ik na het ongeluk in het spiegeltje gluurde, lag hij op de rug met de pootjes uitgestrekt omhoog.

Zo’n aanblik doet een ander niets. Bij mij begint dan de ellende. Dat komt door twee onzichtbare wezens, die mij constant vergezellen. Zij bezitten een volstrekt tegengesteld karak­ter. Goed en slecht. Daar bij mij blijkbaar alles anders moet zijn, staat de goede rechts en de slechte links. Dat in tegenspraak met het gezegde:” Hoe linker hoe flinker, hoe rechter hoe slechter”

Om wat de rechtse mij als ‘goed’ influistert, barst de linker in een bulde­rend gelach uit. Hij brult dan, dwars door mijn hoofd naar de andere: “Onzin man! Slap geklets! Zalvend gezemel!” En meer van dat fraais. Het is soms wel héél erg hoor, zoals díe tekeer gaat. Echt naar voor die ander. Dat is zo’n doodgoeie sul, in en in goed, zo timide, weet u wel. Toch is die lelijkerd lang zo kwaad niet als hij lijkt. Hij is meer de ruwe bolster, blanke pit-type.

Na het ongeval begint die rechtse op slag te jere­miëren. “Oh, gut, o gutteguttegut. Wat érg toch. Stom dier. Wát zie­lig! Hoe moet het nou met de jonkies?” Daar heeft hij me mee. Met een schok kom ik tot de ontdekking dat het eind mei is. Natuurlijk, het klopt als een bus. Er moeten nu zeker kleine musjes zijn.

Mijn fantasie slaat op hol. Ik trek de overledene een jurkje aan en knoop het een hoofddoekje om. Nu is het een zorgelijk mussenmoedertje. Ze was op weg om eterij in te slaan. Het kopje vol met bestellingen, haar dreinerig toegepiept door het kale kroost.
“Ikke een vette rups mam. Ikke een sappige pier, als het kan. Ikke ook een rups, mam, een groene hoor. Hé mam, voor mij een repie patat . . . mét. Máááám, ikke ook, niet vergeten hoor, patat mééééét”. Daar tus­sendoor het gebrom van Pa, die op de kleintjes past ‘ ‘Kom nou niet wéér met zo’n ouwe broodkorst aan. Laat je niet alles in de snavel stoppen. Je moet wat meer van je afpikken. Snor voor mij bij de patat­kraam naar een kontje worst. Enne… blijf geen uren weg!”

Maar… snik… Ma blijft geen uren… ze… blijft altijd weg… ze… ze… komt… nóóóóit meer.

Zover gekomen wordt het me te machtig. Ontroering knijpt mijn keel toe. Ik zet de auto aan de kant en bonk wenend met het hoofd op het stuurwiel. Het radeloos heen en weer wentelend, blijft het tenslotte in ruststand op het linkeroor. Dát verandert de zaak op slag. Het is één van de manieren om de linkerbulderbas op te roepen. Leg ik mij te ruste op mijn rechterschelp, dan verschijnt prompt Joris Goedzak. Het is een communicatiesysteem waar beiden content mee zijn. Houd ik het hoofd in rechte stand, dan staat de geestenintercom uitgeschakeld. Wel blijven ze waakzaam aan mijn flanken geposteerd, klaar voor de oproep, 24 uur paraat.

Nu is er voor links dus een oproep. Daar is hij al. De bikkelharde, de ijskoude. Hij lacht honend en snerpt: “Die dooie mus! Man lig niet te zeveren. Laat naar je kijken, malle Eppie!”
Als hij merkt dat het deze reis toch wel erg diep zit en ik zwaar gebukt ga onder het droevige gebeuren, wordt zijn toon wat hartelijker en zeg hij, met meelevende stem: “Lig niet zo te urremen (verdrietig zeuren) joh. Phh, zo’n mus… wat geeft dat nou. Toe, er zijn immers mussen zat! En wie weet wat dát er voor één was. Misschien wel helemaal niet zo’n beste”.

Dáár zit iets in! In mijn verbeelding creëerde ik een mussenmoedertje Wie zegt me of dat waar is? Er zijn er zat, natuurlijk, allerlei soorten. Ik roep nu het beeld op van een jonge, brutale, nozemachtige mus. Zo’n treiterige, vervelende vlegel. Altijd in de oppositie. Oude mussen-van-dagen pestend. Zo van: “Hé, ouwe zak, hoe is het met de rimmetiek in je kalkpootjes?” Of “Je moet de groete hebben van de kat. Ze vraag of die ouwe nóóit ‘s uit z’n boom komt lazere!” Dan zie ik hem bezig de kleintjes te pesten of andere rotgeintjes uit te halen. Het is een echt rotjongetje en de mussenkolonie kan hem missen als kiespijn.

Het werk vertroostend. Ik fleur op en breng mijn karretje weer op gang. Opgelucht rijd ik verder.

Toch haalt zo’n incident met de nare nasleep een mens uit zijn concentratie. Ik kon nog maar nét die moedereend met jonkies ontwijken. Vervelend toch dat die boom er stond.

De dokter zegt dat ik met een dag of wat uit het gips mag. Maar mijn autootje is bijna total loss. Hoewel, de garageman heeft nog hoop dat hij hem aan het rijden kan krijgen. Maar ik hoop nergens op. Laat ik mezelf niet blij maken met een dooie mus . . . Alwéér fout.
“Dat is een héél lelijke opmerking”, stelt rechts onmiddellijk vast. “Foei”.
“Ha, hááááh”, loeit de linker…, “Da’s een héle goeie”!

Oh! …. Hou óóóóóóóóóp!!!