Het is een bloedhete dag, zelfs naar Toscaanse begrippen. We hebben onze vakantie in juni gepland omdat de temperaturen dan nog aangenaam zijn en het land niet verdord is. De zon heeft duidelijk deze handleiding niet gelezen.
Ieder zichzelf respecterende Italiaan houdt nu siësta. De honden liggen loom in de schaduw. Katten zijn nergens te bespeuren. Zelfs de vogels geven niet thuis. Onze horloges wijzen nochtans 16.00 uur aan. Het leven moet terug straten. Wij hebben een drukke agenda af te werken.
Twee Belgische toeristen hebben ons dit dorpje aangeraden. Het zou nog heel authentiek zijn, zonder al te veel toeristen, zonder al te veel opdringerige verkopers. Met een beetje schuifwerk kan het er wel bij. We willen wel even tijd maken voor de echte Italiaan alvorens ons drukke reisschema verder te zetten.  We lopen even door het dorpscentrum maar vinden er weinig aan. Dan zien we boven op een heuvel een kasteel liggen met oudere huizen omheen. Een klein smal wegje slingert naar boven.  Dat moet het dus zijn.
Vol goede moed beginnen we aan de klim. Zo hoog is het tenslotte niet. Heel even vergeten we dat de zon nog altijd haar werk doet. Onze huid vertoont binnen de kortste keren een mooie satijn glans. Druppels verschijnen over ons hele lijf. Onze kleren krijgen onsmakelijke, natte vlekken en mijn hoofd kan concurreren met de mooiste glanzende rode tomaten. We puffen en hijgen dat het een lieve lust is. De schoonheid rondom ons ontgaat ons volledig.
Onder een poort door, komen we in het oude stadsgedeelte. We duiken onmiddellijk de schaduw van de huizen in.  De aangename bries verwelkomen we als de strelende handen van ons eerste lief.  We slenteren door de straatjes en nemen de eenvoudige schoonheid met volle teugen in ons op.  Een Italiaan is nog altijd niet te zien. We horen wel dat heet leven terug hervat is maar dat het zich nog altijd binnenshuis afspeelt. We lopen een paar winkeltjes in en kijken rond zonder geholpen te worden. Het is nog veel te warm om iets te verkopen.
Dan komen we uit op een piepklein pleintje met een eeuwenoude plataan. Het kleine bankje tegen het huis roept ons gewoon om even te verpozen.  De wind speelt een kat en muis spel met de bladeren en beroert af en toe onze, nog steeds verhitte, gezichten. We zitten gevangen onder een verkoelend tapijt van alle mogelijke schakeringen groen.
Achter ons, door de openstaande ramen, horen we het gekletter van kookpotten. Voor ons strekt het landschap als een patchwork voor ons uit. Reikhalzend, om zeker geen streepje zonlicht te missen, kijken alle zonnebloemen op naar de zon.  Je ziet en voelt haast hun genot van ieder straaltje verzengende hitte. Cipressen staan als soldaten verspreid om orde op zaken te houden, fier rechtopstaand, soms in mooie rijen alsof ze de heuvels willen opmarcheren, soms, al keuvelend, in groepjes bij elkaar. Generaties olijfbomen picknicken samen. De knoestige, oude bomen zijn in al hun lelijkheid mooi geworden. Breekbaar, onzeker kijkt een nieuwe generatie boompjes naar hen op.
Dan klinken door het open raam de tonen van Conte Partiro. De tijd wordt vergeten. Ik voel een warme, vertrouwde hand mijn hand omsluiten en we belanden in een cocon van één geworden gelukzaligheid.

Als ik alleen ben
Droom ik de horizon
En ontbreken de woorden…

Hoe treffend kan een lied zijn? Wij, met ons twee, en toch alleen.
Ik met jou.

We durven ons amper te verroeren om het moment niet te verbreken en, alsof het zo moet zijn, worden we niet gestoord door wie of wat dan ook. Tijd wordt volledig vergeten, is tenslotte totaal onbelangrijk.
Wie zegt dat perfectie niet bestaat, heeft het mis. Dit moment, ons moment, zal altijd in ons geheugen staan.