Soms zijn er van die dagen, die aanvoelen als waren ze de allereerste schooldag. De allereerste, na een grote of een kleine vakantie of na een lang weekend. Dat je naar buiten stapt met de intentie om naar je auto te lopen om naar je werk te gaan. Maar dat het voelt alsof je op de fiets moet stappen. Een dinsdag of een donderdag kan dan aanvoelen als een Maandag. Vroeg, het eerste uur vandaag. Wat heb ik? Natuurkunde? Of sterker nog, ik moet mijn boeken nog halen. Het kaftpapier ligt al klaar. Pap maakt er elk jaar een punt van dat de boeken goed gekaft moeten worden. Maar dat Kaftpapier houdt het nooit een heel schooljaar vol. Op de fiets dus. Door de stad. Het leven komt maar langzaam op gang. Het is erg fris in de ochtend, koude wind. Een ochtend in Mei die voelt als een ochtend, eind September. Alleen de bomen kleuren nog niet zo mee. Hier en daar houden zich kleine groepjes Grote Mannen in Felle Pakken bezig met fragmentarische herstelwerkzaamheden aan straat, riool, lantaarnpaal of electriciteitskast. Fragmentarisch, want men moet morgen ook nog iets te doen hebben. Piepende vrachtauto’s rijden achteruit door de straten. Vogels piepen en tjilpen mee. Een eerste schooldag is een samenvatting van herinneringen aan alles wat vooraf ging. Het Rapport, het oudergesprek, de op te halen cijfers maar ook die ene meid, de tekenjuf, de groep in de pauze, alles. Goede voornemens. Op tijd leren voor de proefwerken, mijn agenda goed bijhouden, huiswerk netjes maken, netjes schrijven, opletten, goed opletten, boeken ook echt lezen en niet de samenvattingen van anderen lenen of overschijven. 

Goede voornemens en goede bedoelingen. Even terug in de tijd. 1984. Mijn Grote Broer is 12 en ik ben 6 jaar oud. Het moet een zondagnacht zijn geweest. Hij gaat morgen voor de allereerste keer naar de Grote School. Empathisch als ik ben, kan ík niet slapen van de spanning. Voor zijn verjaardag heeft mijn Broer een mooie leren Schooltas gekregen. Een Degelijke. Nu, in het heden besef ik dat dit een prijzig cadeautje moet zijn geweest. 

Midden in de nacht sluip ik naar beneden. Er mist iets. In de keuken staat de Degelijke Schooltas al klaar. Ingepakt en wel. Uit de keukenla pak ik de watervaste zwarte viltstift. Er mist iets. Wat als er nou nog tien kinderen dezelfde tas hebben als mijn broer? Met de grootst mogelijke broederliefde haal ik de dop van de watervaste viltstift en kies een hoekje uit op de rug van de Tas. Zo, nu staat er tenminste zijn naam op. Wat zal hij blij zijn dat ik daar aan heb gedacht! Wacht, ik maak er een poppetje bij. En hier schrijf ik ook zijn naam. Misschien wel heel groot in het midden, want in dat hoekje ziet misschien niemand het. Ik verlies mezelf volledig in mijn creativiteit en voordat ik het weet is de hele achterkant van de Degelijke Schooltas volgekalkt met tekeningen, kriebeltjes en een stuk of zeventien versies van mijn broer’s naam. Om te zorgen dat mijn kunstwerk een verrassing blijft draai ik de tas met de rug naar de muur, berg de viltstift op en ga tevreden naar bed. Met een grote glimlach op mijn gezicht val ik in slaap. Wat zal mijn Grote Broer trots op mij zijn! 

De volgende ochtend hoor ik wat rumoer onder in de keuken. Boos, roept mijn moeder: “MARK!!” Ik schrik, ik snap het niet. Eenmaal beneden aangekomen zie ik mijn broer snikkend en huilend aan de keukentafel zitten. De tas met mijn “kunstwerk” op de tafel. Mijn moeder met twee handen in haar zij. Dat is geen goed nieuws, die twee handen in de zij. Blijkbaar is niemand gelukkig met mijn goedbedoelde nachtelijke tekenactie. De Degelijke Tas wordt leeggemaakt en de inhoud wordt in een voddige oude rugzak gedaan. De tranen nog wegvegend gaat mijn Grote Broer het Grote School avontuur tegenmoet met een vod. Op de fiets, eerste uur natuurkunde. Door de stad, koude wind, hier en daar houden zich kleine groepjes Grote Mannen in Felle Pakken bezig met fragmentarische werkzaamheden aan straat, riool, lantaarnpaal of electriciteitskast….