Ik zit in een theater. Klein, knus, rood Pluche. Oud Pluche, maar comfortabel Pluche. Ik merk aan mezelf dat ik niet helemaal mezelf ben.  Of ben ik dat nou juist wel.
Drie dagen op rij zelf de boer op geweest met mijn muziek. Donderdag, Vrijdag, Zaterdag. Ik hang nog een beetje vast in de modus: Gitaarkoffers en kledingzakken slepen, auto’s inladen, uitladen, opbouwen, soundchecken, omkleden, showtime, genieten, hard werken, afbreken, inladen, uitladen, gitaarkoffers en kledingzakken slepen.. en nog eens en nog eens… Het comfortabele rode Pluche omarmt mijn euforie. Ik ben wel op mijn gemak, maar ik merk ook dat alles, maar dan ook alles, rechtstreeks binnenkomt. Ik besef me terdege dat dit de vermoeidheid moet zijn. Als Mark speelt en zingt, speelt en zingt hij met heel zijn lijf. Ik ben mijn eigen dynamo. Om in beweging te blijven hoef je slechts maar in beweging te blijven. (Variatie op het thema: in beweging komen.) Euforische Vermoeidheid die mijn blik op de wereld roze kleurt en alles wat ik zie en hoor eigenlijk simpelweg “prachtig” maakt. Vanuit het rode Pluche kijk en beleef ik een voorstelling die een combinatie is van “Minoes” en “Cats”. Kinderen tussen de 12 en 17 jaar doen hun stinkende best om er een topvoorstelling van te maken. En dat lukt. Ook al zingen ze niet allemaal even zuiver, de passie voor hetgeen waarmee ze bezig zijn straalt er vanaf. Ze hebben lol, plezier, zijn geconcentreerd, weten wat ze moeten doen en laten zich niet afleiden door trotse, veel te hard pratende opa’s op de eerste rij. De gekozen liedjes duwen hier en daar flink op de emotie van het publiek. Tijdens de pauze ga ik al met een lichte brok in mijn keel naar de bar om een Leffe te bestellen. Na de pauze gooien ze er nog een schepje bovenop. Het wordt spannend, ze trekken me het verhaal in, als dat maar allemaal goed komt!? Natuurlijk komt alles goed. Na afloop staan alle spelers op een rij en nemen een welverdiend applaus in ontvangst. Ik heb de behoefte om te gaan staan. Ik ga staan, maar ik merk dat ik de enige ben. Dat staat toch stom, besluit ik en ga een beetje onhandig op de zojuist omhooggeklapte theaterstoel leunen. Mijn Euforische Vermoeidheid zorgt er voor dat ik de tranen in mijn ooghoeken heb staan. Ik draal, treuzel, veeg mijn ooghoeken droog en bijna als laatste verlaat ik de theaterzaal. Een paar kinderen die zojuist alle energie in hun voorstelling hebben gestoken, krijgen mij in de smiezen. Ze herkennen mij van een workshop muziek, die ik hen onlangs gaf, in het zelfde kleine knusse theater. Vol overgave zingen ze me toe met de canon die ik destijds als opwarming gebruikte. Kippenvel. Nu hou ik het echt niet meer droog. Ik kan me nog net even omdraaien en naar de kinderen dankbaar glimlachen, maar mijn Euforische Vermoeidheid maakt dat ik gauw naar buiten vlucht. Zakdoek bij de hand. Hop, daar rolt al een traan van ontroering over mijn wang. Wat je geeft, krijg je terug. Waarvoor Dank!