De Pluis

 

Ge-ouwehoer

 

Het is kwart voor twee in de nacht als ik wakker schrik. Godver, ben in slaap gevallen en de honden hebben nog recht op de laatste ronde. Ik frommel mij in de kleren, en kijk om mij heen. Alles slaapt, en begrijpen niets van mijn opgefoktheid. Enfin, een beetje schudden en ik loop midden in de nacht slaapdronken door de buurt, om anderen te laten plassen.

 

Eenmaal thuis aangekomen plof ik op een stoel, en de drie zoeken hun slaapplaats weer op. De kleinste kijkt een keer achterom en werpt mij een blik toe die zegt: lul. Het is rustige in huis, en mijn gedraaide shagje gloeit nog na in de asbak. Ik ga ook maar weer pitten.

 

Het is zes uur. De bekende rituelen spelen zich af en ik “ riem” de honden aan.  Langs de wandelroute is het druk. Een politieauto, 2 mannen in andere pakken en in de deuropening, een vrouw met een kindje op de arm en een kindjes wat op de trap toekijkt. De vrouw huilt, en ik begrijp uit de vele gezichten en woorden dat het tijd is om op te krassen. Het huis uit.

 

Kent u Jan Schaefer nog? Oud Pvda politicus en Banketbakker die de Volhuisvesting in Amsterdam nieuw leven probeerde in te blazen. In zijn spijkerpak ging hij de gevestigde orde te lijf met zijn slogan: in ge-ouwehoer kun je niet wonen. Een oprecht mens, toen de Pvda nog geen stemmen ronselde. Een man van het volk, ik mis hem.

 

In 2013 zijn 6900 huishoudens hun huis uit geflikkerd. Ze konden de huur niet meer opbrengen. Ook ouders met kinderen die op straat staan, en naar alle waarschijnlijkheid hun toekomst wel op de buik(jes) kunnen schrijven. Op televisie spreekt een zakkenvullende graaier van de Woningcorporatie zijn gespeelde afschuw uit, en zegt dat elk geval schrijnend is.  En er alles gedaan is om het voorkomen.

 

Volgens mij heeft elk mens (je)  recht op een woning. Hulp is voor “ schrijnende gevallen” nodig. Maar alleen de focus op geld lost niets op.  Ook de aandacht voor het gedrag is in deze gevallen een bittere noodzaak, maar wordt in vele gevallen genegeerd door hulpverlenende instanties die er nu nog zijn.  De straat, is het nieuwe wonen voor menigeen geworden.

 

Ik heb voor elke hond een mand of een deken waar zij zich, als ze genoeg van mij hebben, hun rust kunnen opzoeken. Joop is een special dog. Die slaapt in een tent, omdat meneer het verdomd om zich als een hond te gedragen.

 

Het schaamrood staat mij op de kaken. Zo’n 500 meter hiervandaan staat een verhuiswagen het leven van vier mensen in te laden, om het ergens te dumpen. En ik heb een hond die wel een huis heeft.

Ik weet niet of ik dit soort toestanden maar eenvoudigweg moet negeren. Ik bedoel, ik heb de zaakjes nagenoeg voor elkaar en weg is weg, nietwaar? Maar sommge dingen in het leven kan ik simpelweg niet naast mij neerleggen, en zijn van invloed op mijn denken en gedrag. Zuipen lost niets op, maar vadaag even wel schat ik in.

Ik moet een schuldige hebben.

 

Niet de kindjes en niet de vader en moeder die het overzicht kwijt zijn. Eens denken? De Gemeente? Nee, want die zijn wereldkampioen verschuilen in onbereikbaarheid. De Bank misschien? Ook niet, want die hebben alleen maar teveel geld uitgeleend. De Politiek? Welnee, want een zekere Haagse Blok loopt nu pamfletten uit te delen in Wassenaar dus die heeft echt geen tijd voor mensen die voor het blok gezet zijn.   Een woningcorporatie? Ook niet, want  hebben er alles al aan gedaan zeggen ze.

 

Ik kan geen schuldige aanwijzen die de klos moet zijn. Alleen het gezin wat alleen nog maar elkaar heeft, is de lul en ook de klos. Maar die zijn  morgen toch verleden tijd!

 

Joop legt een poot op mijn been, hij wil weer eens een  koekje. Oprotten,  ga je tent in. Jij heb tenminste nog een tent, snap dat dan.  Hij snapt er niets van en druipt op z’n Beagles af.

 

Even later zit ik voor de ingang van de tent, en aai Joop over zijn bol. Sorry oude vriend. Twee ogen kijken omhoog en mij aan. Hij begrijpt mij gelukkig wel.  Hij is namelijk ook een keer zijn huis uitgezet en daarna door mij gered van de eenzaamheid.

 

Volgens mij ben ik vandaag even van het pad af, ondanks dat ik wel een huis heb. Van de week had ik mijn kleindochter voor op de fiets zitten, en gingen we samen boodschappen doen. En zongen keihard: rond, rond, rond en die mevrouw heeft een dikke kont. 

 

Een maal thuisgekomen rent ze naar binnen. In de woonkamer staat een minitent en in  de tuin een kunststof huis. Ik gun het haar, maar soms is de wereld oneerlijk verdeeld en voor mij onbegrijpelijk. Proost!