Heb je er ooit over nagedacht wat quarantaine betekent? Hoe het is…, aanvoelt? Wat het met jou doet? Ik wel; vaag, want ik herinner het me nauwelijks.

Wat ik er nog van weet was dat het uit een stripverhaal kwam, lang geleden: Oscar en Isidoor, Buck Danny, zoiets. Daarin moest iemand in quarantaine en ik weet dat ik wist wat het was zonder het precies te begrijpen. Het had niet met eenzaamheid te maken en dat is het ook niet, weet ik nu.

Het begrip eenzaamheid wordt vaak van stal gehaald terwijl het zelden aangeeft wat er aan de hand is: de samentrekking van een (alleen) en saam (samen). Wij, de mens, is zelden alleen en nog minder op zichzelf teruggeworpen. Dat kan ook niet want de meesten onder ons worden niet met rust gelaten. We zijn omgeven; zo druk bevolkt, de tv luid brullend ingeschakeld om de leegte te overstemmen, internet en het bombardement aan berichten. Het ontbreekt aan mogelijkheden tot reflectie waardoor eenzaam onmogelijk wordt. Dat is wat we missen.

Het is juist het gebrek aan eenzaamheid dat ons parten speelt. We worden voortdurend afgeleid, zelfs nu in quarantaine…

Ja, ik ben besmet. Het virus heeft me te pakken. Wat het met mij doet? Het maakt me rustig. De geest althans, het lijf voelt of het mij niet langer toebehoort, maar dat is bijzaak. Het lijf vergaat toch, ooit op een dag die misschien sneller komt dan ik wens. Het zij zo, want daarom gaat het niet. Dit is geen verhaal uit zelfmedelijden. We verdienen het. We hebben het zelf uitgelokt dat het zover kwam, willens en wetens… Elk van ons, niemand uitgezonderd waarom ik ook geen medelijden voel met anderen die hetzelfde overkomt; oud of jong. Voor die laatsten voel ik een zeker mededogen omdat zij er het minst aan kunnen doen. Ze hebben nog te weinig geprofiteerd om schuld te dragen.

De ouderen daarentegen, mijn generatie en daarboven heeft ervoor gekozen dat we, zeg maar, sinds het nieuwe millennium de rekening krijgen gepresenteerd in de vorm van een steeds snellere opvolging van crisissen. We kenden de consequentie of hadden die kunnen kennen.

Maar we verstopten ons, staken onze koppen in het zand, wendden ons af, zelfs nu nog.

De mens is een vlucht-dier. Dat zijn we van nature. We gaan confrontatie uit de weg. Om dat te kunnen beschikken we over een geheim wapen: onze hersenschors.

Traag en zwak, zonder pantser, bedacht de evolutie een andere manier om ons te verdedigen, ons overleven mogelijk te maken. We zijn het intelligentie gaan noemen maar of dat begrip de lading dekt is meer dan twijfelachtig. Intelligentie veronderstelt een zekere respons-snelheid en die ontbreekt op cruciale momenten.

We zijn onszelf ook gaan beschouwen als de meest ultieme mutatie, het meest geslaagde wezen, zeg maar. Maar is dat zo? Afgezet tegen bijvoorbeeld de honderdzestigmiljoen jaar waarin de dinosauriërs de aarde beheersten steken de tweemiljoen van onze soort wel heel karig af. Zo goed doen we het niet, want we zijn heel hard op weg onszelf om zeep te helpen. Kort maar hevig is hier beter op zijn plaats. Bovendien konden de dino’s er niets aan doen. Hun uitsterven gebeurde door invloeden van buiten, terwijl de mens…

Onze evolutie lijkt op de misvatting rond de lemmingen. Langzaam maar gestaag werken we onszelf naar de afgrond. In het begin waren we nog een van de andere zoogdieren die soms gemakkelijk maar meestal moeizaam hun kostje bij elkaar scharrelden tot we zo’n tienduizend jaar geleden enkele verzamelde zaden lieten vallen en de landbouw ontdekten. Die landbouw was op zichzelf al niet zo’n goed idee omdat we door eenzijdige voeding met tekorten werden geconfronteerd, maar de bijwerkingen bleken uiteindelijk veel desastreuzer. Dankzij landbouw ontstonden nederzettingen en daarmee het begrip bezit. We creëerden iets om voor te vechten, elkaar te betwisten en dat deden we ook tot op de dag van vandaag.

Diezelfde landbouw had nog een neveneffect: onze aantallen groeiden. In het begin niet al te snel dankzij onder anderen een korte levensduur door die eenzijdige voeding en het gegeven dat we elkaar vrolijk naar het leven stonden. Gelukkig maar, anders waren we er allang niet meer geweest. Maar het tij keerde; we werden ouder, moordden en doodden nog meer dan voorheen maar dat woog niet op tegen de vermenigvuldiging die de spreekwoordelijke konijnen voorbijstreefden. We neukten onszelf als het ware richting afgrond, inmiddels tot het haast onvoorstelbare aantal van nagenoeg acht miljard.

In deze onnavolgbare drang tot zelfreproductie zagen we een natuurwet over het hoofd, of negeerde die tenminste: we nemen ruimte in. Niet zomaar een holletje in de grond maar veel ruimte, steeds meer ruimte, waardoor al het andere wordt weggedrukt. Het sterft uit of wordt op elkaar geperst in te dichte populaties waardoor bijvoorbeeld virussen de kans krijgen sneller te muteren en andere gastheren zoeken dan die waarbij ze oorspronkelijk ontstonden. Dat is hoe we deze laatste crisis over ons afriepen. Zelf schuld.

Was het dan te voorzien? Het is zelfs voorzien. Decennialang werden we gewaarschuwd vanuit allerlei hoeken dat dit stond te gebeuren. We wisten dat het zou komen maar niet wanneer. Nu dus en het zal niet de laatste keer zijn. 

We sloegen de waarschuwingen in de wind want het was niet aan de orde, niet acuut. Dat is het pas als het zich voordoet met alle desastreuze gevolgen. En dan? Dan reageren we vanuit paniekreflex; redden wat te redden valt.

Voordien braken we eerst onze gezondheidszorg af, privatiseerden om het gewin…

Vanaf de ontdekking van de landbouw zijn we bezit als steeds belangrijker gaan beschouwen tot eigendom religieuze proporties aannam. Niet zomaar een beitel en hamer om iets te maken, de ploeg om het land gemakkelijker te bewerken maar zaken die in de grond waardeloos zijn wanneer ze worden losgekoppeld van het bestaan zoals wij denken dat het hoort. Het komt ons toe geld en aandelen te bezitten, meer zelfs dan we voor onszelf, ons gezin of de clan waartoe we behoren nodig hebben. Bezit illustreert status en macht waarom het erger dan de dood is om het te verliezen, getuige het aantal zelfdodingen na onder andere de fameuze Krach van 1929. Bezit als nieuwe god waarvoor geen altaar toereikend genoeg is.

Het is ook de ultieme methode voor ontkenning. Het creëert de valselijke aanname dat we het tot onsterfelijkheid kunnen schoppen. Wie veel bezit geniet niet alleen aanzien maar hij of zij verheft zichzelf boven het gemene volk, komt in geschiedenisboeken terecht, er worden straten en pleinen naar vernoemd, sokkels opgericht. Dat alles zijn we als een vorm van onsterfelijkheid gaan beschouwen. Onzin uiteraard, want de rijke dode is net zo dood als de arme; weg, heeft geen impact meer, althans niet als persoon. Diegene is net als alle anderen niet bestaande, hoezeer anderen ook hun best doen te herdenken.

Het is een uiting van ons vluchtgedrag; ontkennen van de werkelijkheid. Wat we niet erkennen bestaat niet tot de realiteit ons inhaalt. 

In 1971 verscheen het rapport van de ‘Club van Rome’, met als ondertitel: ‘grenzen aan de groei’. Het nam onze manier van leven op de korrel. De beknopte uitgave was voor iedereen toegankelijk. In Nederland uitgebracht in de reeks Prisma Pockets bij uitgeverij Het Spectrum. Het verscheen in miljoenen oplagen en belandde in de kortste tijd bij de ramsj. Niemand wilde weten, zelfs veel van hen die het wel lazen.

In de jaren die erop volgden sprak ik Wim Kok na een van zijn lezingen in zijn hoedanigheid als voorzitter van de FNV. We hadden het onder andere over het rapport. Hij had het gelezen, was zich bewust van de ernst en wat deed hij als paarse premier? Niets! Het is niet mijn bedoeling op de man te spelen want hij was niet de enige. ‘Het klimaat’ was niet rijp. Hij moest rekening houden met zijn achterban, diegenen die hem hadden gekozen en die ook allemaal op de hoogte waren of tenminste konden zijn…

Veel erger was de ‘ijzeren dame’ terwijl ze zichzelf op de magere borst klopte en in 1979, acht jaar na het verschijnen van het rapport, het tijdperk van het neoliberalisme inluidde. Grenzen aan de groei? Mijn neus. Weet je wat ik zal het nog wat versnellen.

Begerig als we waren volgden we massaal, kozen leiders met dollartekens in hun ogen; snel gewin, welvaart, rijkdom, meer en meer bezit.

De waarschuwingen waren er maar we sloegen ze massaal in de wind.

Een uiterst klein groepje zette zich schrap maar vermocht niets tegen de massa. “Wat zeur je nou? Het gaat toch goed. Iedereen vaart er wel bij.”

Was dat zo? Nee natuurlijk. Er zijn er altijd die buiten de boot vallen. De meesten zelfs. Ook dat is een natuurwet. Als rijkdom ergens wordt opgehoopt komt die ergens vandaan. Het valt niet uit de lucht. Vergaren kan alleen door uitbuiting.

In het begin merkten wij dat in het ‘welvarende westen’ niet zo. Er was nog genoeg wereld om uit te buiten, al kierde het van meet af aan. Vraag het de ontslagen werknemers in met name de metaal en aanverwanten. Maar och, een klein offer afgezet tegen het geheel. De meesten ging het immers goed. We hadden sociale vangnetten voor als het even niet lukte en alles was nog betaalbaar, in het begin toch.

Het tij keerde. De wereld werd ‘kleiner’. We werden globaal en anderen zagen wat zich hier voltrok en wilden meeprofiteren. Maar dat gaat niet. We kunnen niet allemaal even rijk zijn, niet binnen het huidige systeem dat immers op uitbuiting is gericht. Wie moet je uitbuiten als we allemaal gelijk zijn?

Er zijn grenzen aan de groei en dat wordt almaar duidelijker. De eerste epidemies aan het begin van het nieuwe millennium kwamen evenmin uit de lucht vallen, zo min als de financiële crisis in 2008. All Gore presenteerde in 2007 de video ‘an inconveniënt truth’ en waarschuwde voor het veranderende klimaat en de gevolgen. De Club van Rome werd meer dan ooit springlevend. Verdomme! Wat nu?

Gewoon doorgaan. Op dezelfde neoliberalen blijven stemmen. Dan komt alles goed…

Er volgden wat debatten, er werden wat verdragen opgesteld die beterschap beloofden van Kyoto tot Parijs. Alles voor de vorm om het groeiende aantal verontrustten te sussen want in werkelijkheid gebeurde er weinig tot niets.

Tegenwoordig is alles ‘groen’, de nieuwe hype als pleister voor de wonde. ‘Groen’ verkoopt want daar gaat het om; we moeten blijven consumeren. Dat al die consumptie ergens vandaan moet komen, ecosystemen onder druk zet, uitbuiting in de hand werkt… Tja, och zolang het ver van mijn bed is… Maar nu is het virus hier, onder ons. We kunnen niet langer ontkennen. Vluchten heeft geen zin want het is overal…

Ook daar vinden we wat op. Zie het virus gewoon als incident, als eenmalig iets dat weer overwaait of waar we iets tegen vinden; een vaccin bijvoorbeeld. Redeneer het los van al het andere, los van de manier waarop wij leven…

Het staat niet los. Alles grijpt in elkaar zoals wij inmiddels allemaal globaal in elkaar grijpen. Dit virus is niet meer dan een deel uit een keten die ons langzaam wurgt; een keten die we zelf op gang hebben gebracht en onderhouden.

Vluchtgedrag wil de dingen loskoppelen; probleem na probleem solitair bezien. De financiële crisis werd opgelost door de banken te redden, het klimaat pakken we aan door dijken te verhogen en het virus…, och een vaccin doet wonderen en daarna redden we vrolijk de economie die het allemaal teweegbracht. Zo vluchtten we voor onszelf uit tot er niets overblijft om naartoe te kunnen.

Er is nauwelijks speelruimte om de zaken in banen te leiden, als die er nog is. In 2004 is het permafrost beginnen te ontdooien waardoor enorme hoeveelheden methaan vrijkomen; een broeikasgas met een impact die 28 maal groter is dan CO2. We naderen in ras tempo het kantelpunt, als we het niet al zijn gepasseerd – niemand die het met zekerheid weet. Het punt waarop we machteloos moeten toezien hoe alles uit de hand loopt zonder kans ons aan te passen. Nog is er hoop dat we tenminste kunnen vertragen waardoor we heel misschien de benodigde speelruimte krijgen maar dan zullen we moeten handelen. Niet met een ’green deal’ die erop is gericht het economisch systeem van brandstof te voorzien – er is namelijk veel geld te verdienen met ‘groen’ -, maar met een herziening van onze huidige manier van leven. De consumptiemaatschappij moet op de schop al kost ons dat ‘de economie’, maar daarop vinden we wel iets, minder ingrijpend en desastreus. Er zijn knappere koppen dan ik die de alternatieven al hebben doorgerekend. Maar hoe dan ook; vergeet welvaart zoals we die kennen als we uiteindelijk niet allemaal het loodje willen leggen…