Gerard de stotteraar

Een conferencier die moppen tapt met een invalide of een gebrekkige als lijdend voorwerp kan zijn gave beter besteden aan het verkopen van kamferballen. Het is een oud en waar beginsel in de artistieke wereld. Maar een enkele keer is er een uitzondering. Bijvoorbeeld als het lijdend voorwerp zich zódanig gedraagt, dat hij het onheil zelf over het hoofd afroept en lachlust opwekt. Ik bedoel, een man met een houten been vraagt geen teenager ten dans. Dat is smeken om narigheid en de driesteling loopt geheid de kans uitgelachen te worden.
Gerard was zo’n uitzondering. Voluit heette hij: Gerard van Geffen, maar zijn spraakgebrek (hij stotterde hevig) en gestalte, lange hals en manier van lopen, dat aan een gans deed denken, hadden hem de bijnaam “Gakkel” bezorgd. Ook om de letter G, die hem bij het uitspreken als een wurgende lus de das omdeed.

Tekening Gerard de Stotteraar

Het simpele ceremonieel van “voorstellen” werd met die vervloekte G’s in zijn naam een tijdrovende bezigheid, die het best van tevoren afgesproken kon worden. Wanneer de tegenpartij de tact had tijdens dat gebeuren de blik afgewend te houden, kon het vrij vlot afgehandeld worden. Maar degene, die hem daarbij in de ogen staarde, vernam nimmer Gerards volledige naam. Het was voor hem geen doen.

Toch deed dat Gakkel eens aan bekeuring ontsnappen op een manier die mij tranen deed wenen van het lachen. Eens zag ik dat hij een lelijke verkeersovertreding beging. Het gebeurde voor het stationsgebouw Naarden-Bussum. Voor dat stationsgebouw lag een groot plantsoen. Men mocht daar, komend vanuit Bussum niet vóór langsrijden, doch moest er omheen, wat op de fiets een kleine omweg was. Gezagsgetrouw reed ik er netjes omheen, maar Gerard was koppig en hoewel ik hem waarschuwde het niet te doen, zei hij: “D..d..d..doe ‘t. t..t..toch!” En reed rechtdoor. Recht tegen het noodlot op, dat in gestalte van twee agenten grijnzend zijn weg blokkeerde. Het was een heterdaadje. Ze gingen hem “knassen” (Bargoens voor bekeuren) De twee geüniformeerden stonden ijzersterk tegenover de beklagenswaardige en Gerard had juridisch geen poot om op te staan. Hij ging voor de bijl. En tóch ontliep hij de bon!
Het boekje trekkend en de balpen op scherp stellend, blikte de agent de overtreder streng aan en baste: “Naam?”

Die had Gerard, maar wáár haalde hij die zo snel vandaan? De eerste G werd er moeizaam uitgewrongen; “van” volgde vrij vlot; de rest…bleef weg! Al zijn pogingen ten spijt. De verbalisanten verloren het geduld. Zij wisselden een blik van verstandhouding. Toen klopte één van hen Gerard gemoedelijk op de schouder en beduidde hem door te rijden. De kwelgeest die hem deed stotteren, had hem uit de wettelijke fuik verlost.
Maar hij riep wel de verdiende lachlust op, want hij bleek de juiste merite van zijn redding niet te onderkennen. Mij zeer triomfantelijk aanblikkend, hakkelde hij: “G..g..g..geen b..b..bekeuring!” En liet er direct vol overtuiging op volgen: “A..a..as je maar lulle kan!”

Na jaren zag ik hem terug. Hij bleek inmiddels gehuwd. Zijn lange slungelige lichaam met het wat scheefstaand hoofd op de met iedere stap meebuigende ganzennek bevond zich aan de flankzijde van een kinderwagen. Naast hem liep een natuurgetrouw verkleinde kopie van Gerard. Een langhalzig manneke, dat met hetzelfde nekgeknik als een babygiraffe schuifvoetend voortbewoog.
Zijn echtgenote was een volmaak contraproduct en had de welgedaanheid van een bal gehakt. Contrasten trekken elkaar aan. Dat is een natuurwet. Koppelaarsters en huwelijksmakelaars doen er goed aan van dat verschijnsel een studie te maken. Misschien wordt dat van hogerhand wel zo geregeld in een poging het geschapene voor al te grote deformatie te behoeden en het biologisch evenwicht te herstellen.
Na wederzijdse begroeting, waarbij de vrouw Greet en het zoontje Gert bleek te heten, stapten wij een café binnen om bij een glas oude herinneringen op te halen. De kastelein met oogjes, die zwommen in een waterig vocht van hoog alcoholpromillage, kwam zelf de bestelling opnemen. Hij scheen Gerard goed te kennen. En toen, op dat moment, leverde Gerard het onaantastbare bewijs dat geen mens ooit hoeft te wanhopen. Ook de stotteraar niet. Met het stotteren had hij definitief afgerekend. Losjesweg liet hij deze volzin van de lippen vloeien:
“Twee pils….. enne… geef Greet en Gert een groot glas grenadine, Goof”.

Zou hij redding gevonden hebben in het huwelijksbootje? K..k…k.k.kweenie hoor!

Th.G.Baalman [email protected] Balman Blog