In het Nieuwe Testament wordt regelmatig verteld dat mensen bidden, niet alleen in de tempel maar ook in andere situaties. Zo wordt in Handelingen 20: 36 gemeld dat Paulus, als hij afscheid neemt van de gemeente in Efeze ‘neerknielde en bad met hen allen’. Het gebed wordt spontaan begonnen doordat Paulus zijn knieën in de juiste positie brengt. Opmerkelijk is ook de beschrijving die Lucas in Handelingen geeft, voorafgaand aan dit vers (Hand. 7: 60): ‘Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, die aan de rechterhand van God stond’ (Hand. 7: 55). Dat het hier om een gebedshouding gaat is zeker, want Lucas vervolgt: ‘En zij stenigden Stefanus, die Jezus aanriep en zei: ‘Here Jezus, ontvang mijn geest.’ En terwijl hij op zijn knieën viel, riep hij met luide stem: ‘Here, reken hun deze zonde niet toe!’ Hier moeten we denken aan het bidden met ogen die naar de hemel gericht zijn en knieën op de grond.

Toen de Here Zich in zijn laatste ogenblikken tot de Vader wendde met het verzoek: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’, (Lucas 23:34) doelde Hij daarmee op de soldaten die Hem kruisigden. Zij handelden op bevel van een machtige natie. De Joden waren schuldig aan de dood des Heren. Weer rijst de vraag: Hoe kon Hij hun vergeven, of hoe kon de Vader hen vergeving schenken terwijl zij geen berouw tot bekering hadden? Deze boosaardige mensen, die riepen: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ (Matteüs 27:25) hadden zich niet bekeerd, evenmin als degenen die Hem op Golgotha lasterden. (Zie Matteüs 27:29.) De Joodse leiders die Jezus onwettig hadden berecht en van Pilatus hadden geëist dat Hij gekruisigd zou worden en het gepeupel tot hun verachtelijke daden hadden opgehitst, hadden zich evenmin niet bekeerd. Evenmin bekeerden zich de Romeinse soldaten, die, hoewel zij ongetwijfeld krachtens hun krijgswetten werden verplicht om Jezus volgens de gruwelijke voorschriften te kruisigen, geenszins gedwongen waren Hem de beledigingen toe te voegen en de wreedheden aan te doen, waar zij de Heiland vóór Zijn kruisiging aan onderwierpen.

Had de Here Pilatus kunnen vergeven? Stellig niet zonder dat deze zich zou bekeren. Heeft Pilatus zich bekeerd? Wij weten dit niet omdat de Schrift daar verder geen melding over doet. Hij had het verlangen de Heiland te begunstigen maar gaf daarbij geen blijk van grote moed want hij bood geen weerstand tegen de druk van het volk.

In het boek Handelingen lezen we het relaas van de discipel Stefanus die ‘vol geloof en kracht’ was en ‘wonderen en grote tekenen onder het volk’ deed. (Handelingen 6:8.) In Jeruzalem werd Stefanus geconfronteerd met een vijandige menigte die hem ten onrechte van godslastering beschuldigde, hoewel hij voor hun ogen verheerlijkt werd. Stefanus getuigde van de goddelijkheid van de Heiland en toen hij de menigte tot bekering riep, keerden enkelen zich tegen hem. ‘Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods.’ (Handelingen 5:55.) Zelfs terwijl hij gestenigd werd, waren de laatste woorden die van zijn lippen rolden: ‘Here, reken hun deze zonde niet toe!’ (Handelingen 7:60.) En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.