Mijn vader. Gerard Zuidermolen. Hij had het allemaal zo mooi uitgedacht, alleen, het werkte niet helemaal zo als hij het had gewild.

Ik woon op een flatje in Abbeveen, Riva 59, vlakbij Het Groenkamp, als mijn broer belt voor familieberaad. Die avond kom ik in de Willem van Kampenlaan, zoals we ‘thuis’ altijd noemen en tref daar mijn moeder en vader met ernstige gezichten aan. Tom rookt. “Er is maar één manier om die Rekening Courant bij de bank te krijgen, en dan kunnen we verder”. Met “verder” bedoelt Tom dat hij dan materialen kan gaan bestellen en dat we de order dus officieel kunnen bevestigen aan het Algemeen Rijksarchief en het RIB. “Wat is die manier dan?”, vraag ik. “Wij moeten alle drie, pa, jij en ik, een document ondertekenen, een borgstelling”. Op het moment dat Tom dat aan mij vraagt is hij 28 en ben ik 21 jaar oud. Mijn vader, van wie ik de leeftijd al lang vergeten ben, kijkt nors, streng maar tegelijk hulpeloos toe. Een borgstelling van zeshonderdduizend gulden is niet niks, zeker niet voor een jochie van 21. Ik twijfel. De spanning in de Willem van Kampenlaan is voelbaar en vloeibaar. “Nou, het is maar voor even”, zegt ma, “als het geld van Rijksarchief binnen is, gaat pa natuurlijk weer praten met de bank, en wij weten toch allemaal zeker dat het echt moet en dat het gaat lukken?” Ik zwijg en ik denk. “Ik ga eerst overleggen met Piet (mijn schoonvader)”, zeg ik. “Er is niks te overleggen, we moeten alle drie tekenen. Als één van ons niet tekent, gaat het hele feest niet door en zijn we gelijk al failliet, er is al te veel ingekocht”. Pa weet de sfeer goed neer te zetten en zet zijn beide zonen hiermee dus gigantisch onder druk en Stef zwicht dan toch maar voor zoveel pressie.

Het is kwart over zeven ’s morgens als mijn vader en ik in de auto, een oranje Ford Escort stappen en zwijgend naar Kortenhoef rijden waar hij een loods heeft gehuurd bij een varkensboer. Mijn vader weet niets te zeggen, de hele weg niet en omdat er steeds meer spanning komt te hangen in de auto kan ik het ook niet. Ik ben dan 17 jaar en zit nog op school. Tenminste, het is nu vakantie en ik help hem dan meestal een paar weken. Horren voor particulieren in elkaar zetten, tochtstrip maken en inpakken of stalen ramen maken die later, bespannen met folie, gebruikt worden als laden in een witte spaanplaten kast. Na een paar keer samen met hem rijden ben ik het zat en ga vanaf de volgende dag met de racefiets. Best een eindje, maar dan hoef ik niet meer in die spanning te zitten elke ochtend. Normaal weet ik altijd wel wat te zeggen maar als er iemand naast je zit die moeilijk of niet praat wordt het erg lastig. De antwoorden zijn “ja”, of “nee”, of het gaat over klanten, maar dan wel kort. “Binnenkort moet je naar die operazangeres in de goudkust Abbeveen om een hordeur te plaatsen”. En dat was het dan voor het komende halfuur. Mijn broer komt altijd wat later, acht uur of half negen. Moest nog even iemand wegbrengen. Is ook niet zo een prater dus de dagen dat ik bij hen was waren zeg maar vol geklets, gezwam en gelul. Ahum. Het jaar ervoor had hij twee garages gehuurd vlak tegenover ons huis waar een soort poort was naar een aantal daarachter gelegen garageboxen. Daar kon ik tenminste heen lopen. Ik weet nog dat het bloedheet was buiten en dat ik aan het helpen was met het schoonmaken van stalen frames met tri. Garages een beetje dichtachtig want dan bleef het nog een beetje dragelijk binnen. Maar toen wij tussen de middag een broodje en een biertje namen, viel ik van mijn stoel. Tri, hete zon en bier waren iets teveel van het goede samen.

De familienaam Zuidermolen gaat terug tot 1711, tenminste tot dat jaartal zijn we uiteindelijk gekomen. Mijn vader vertelde altijd een mooi verhaal van Graven en Jonkheren in de familie Zuidermolen vroeger. Dat de familie in Schiedam woonde en dat de Zuidermolens daar in graan handelden en er Jenever van stookten. Volgens hem hebben zij al hun geld en goud verloren in een laatste reis naar Rusland om met verschillende boten grote partijen graan te halen. Hun laatste geld is wel die kant op gegaan maar zij zijn helaas zonder graan teruggekeerd. Dit verhaal is op geen enkele manier boven water gekomen. Wel is het zo dat Johann Balthasar Albertus Sudmöller omstreeks 1771 het levenslicht moet hebben aanschouwd en in de jaren 1738 tot 1757 negen of wellicht tien kinderen te Wellingholzhausen nabij Osnabrück rooms-katholiek liet dopen. Het is bewezen via verschillende aktes dat dit mijn voorouder is. Dus eerst Johann Balthasar Albertus Sudmöller (1711-1799), dan Johan David Sudmöller (1743-1808), Antonius Suidmolen (1784-1849), Albertus Suidmolen (1818-1866), Johannes Zuidermolen (1853-1940), Johannes Petrus Zuidermolen (1889-1962) en dan mijn vader Johannes Jacobus Zuidermolen (1918-1990). In de familiegeschiedenis komen wel ridders voor, vijf liefst heb ik er kunnen tellen. Antoine Zuidmolen is ridder 1e kl. in de Orde van Wasa (Knäckebröd?) (Zweden). Adrianus Josephus was ridder in de Orde van St. Olaf van Noorwegen, Johannes was ridder 4e kl. Kroonorde van Pruisen (!), Joseph ridder in de Orde van de Congolese Leeuw van België en Henri en Theo waren ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De familienaam zou ontleend zijn aan een watermolen nabij Wellingholzhausen, de Sutmöhlen onder Uhlenberg, maar dat is een beetje een wanhoopsdaad van één of andere Schiedammer met eenzelfde naam. Het is allemaal wat hoor, maar wij zijn, tenminste, onze familienaam is, in ieder geval, opgenomen in deel 8 van Bijblad van de Nederlandsche Leeuw.

De laatste, omvangrijke genealogie betreft het geslacht Zuidermolen, dat in de tweede helft van de achttiende eeuw vanuit Duitsland naar Schiedam komt, en daar dikwijls de in die plaats gebruikelijke, met graan verband houdende beroepen beoefent als brander, koornfactor en broodbakker. In de oudste tak blijven enkele leden het beroep van distillateur tot in de recente tijd trouw, naast anderen die zich in uitgeverij en journalistiek of andere veelal leidinggevende en intellectuele beroepen begeven. In de jongere takken, ook zeer talrijk, is het beeld zeer gevarieerd.

Mijn vader wilde zo graag in een Mercedes rijden. Hij wilde zo graag in een villa wonen. Het was hem echter niet gegund. Hij is er niet in geslaagd. Waarom niet? Gebrek aan ervaring, aan intellect? Hij was een perfect uitvinder en bedenker. Het ontbrak hem wellicht aan daadkracht, aan doorzettingsvermogen. In ieder geval aan communicatie. Praten kon hij niet. In zijn hoofd had hij het waarschijnlijk wel helemaal uitgedacht, maar diegenen die in zijn gedachteverhaal voor moesten komen hebben het nooit geweten want hij zei niets. Ja, hij zei wel dingen, maar dat waren van die dingen… “Om de doodeenvoudige reden”, was één van zijn gevleugelde uitspraken. Een beetje ene Johan Cruijff, maar dan in Abbeveen.