Laatst las ik in de Quest Psychologie én de Maarten (van Maarten van Rossem) dat er in ons land sprake zou zijn van een zogeheten ‘zesjescultuur’. Dit zou het resultaat zijn van een gebrek aan motivatie en drang om te presteren bij middelbare scholieren en studenten. Met andere woorden, scholieren worden met de jaren luier en docenten doen geen enkele moeite om hier een stokje voor te steken.

 

De meningen zullen ongetwijfeld verdeeld zijn, maar de wezenlijke definitie van motivatie wordt mijns inziens zwaar onvoldoende nagegaan. Je hebt namelijk extrinsieke en intrinsieke motivatie. Extrinsiek wil zeggen externe, in zekere zin van buitenaf geforceerde motivatie door fenomenen als status, macht en employability. Intrinsiek houdt in dat de motivatie daadwerkelijk uit het individu komt; dat men zelf een bepaald ideaal nastreeft. Die laatste vorm is logischerwijs het meest effectief.

 

Ik geloof dat motivatie om te leren, met intelligentie en bekwaamheid als gevolg, nooit helemaal geforceerd kan worden. Dit moet niet verward worden met leerlingen enthousiast maken voor een bepaald vak; ook dit gebeurt slechts gedeeltelijk. Neem Gardner. Hij gelooft in meervoudige intelligenties, waar hij een model voor ontworpen heeft dat via Google zeer gemakkelijk te vinden is. De essentie hierbij is dat men op bepaalde vlakken getalenteerder is dan op andere. Dit betreft aangeboren talent. Een individu kan nooit of te nimmer op alle vlakken even intelligent zijn. Nee, zélfs niet bij hoogbegaafdheid. De hoogbegaafde timmert immers op academisch gebied subliem aan de weg, maar laat op het interpersoonlijke en sociale vlak vaak weer te wensen over. Hieronder een versimpelde versie van Gardners schema:

 

 

Reden voor de zesjescultuur, tevens de zogenaamde afname van motivatie bij scholieren? Het model van de meervoudige intelligenties wordt vergeten, of zelfs verdrongen. Men krijgt in het huidige onderwijssysteem algemene kennis aangereikt in de vorm van feiten en droge leerstof. U weet het zelf ook nog van uw eigen schooljaren; men slaat een boek open en leert de inhoud uit het hoofd, om allemaal aan het einde van de rit hetzelfde examen af te leggen. Dit terwijl de nodige vaardigheden en de toepassing ervan in de toekomstige beroepspraktijk van het individu compleet worden genegeerd. Het is wetenschappelijk bewezen dat meer dan 80% van wat men op de middelbare school leert al zeer kort na het eindexamen vergeten wordt (of verdrongen, als we toch bezig zijn). Waarom? Omdat het stof is die later nauwelijks wordt toegepast en dus zo goed als irrelevant is voor de algehele latere loopbaan als student en/of beroepskracht. Het individu wordt de gelegenheid ontnomen om zich daadwerkelijk ontplooien en te ontwikkelen binnen het terrein waar hij of zij aantoonbaar sterk in is. Ook zijn de lessen niet interactief, waardoor de drogere stof die soms noodzakelijk is om bepaalde concepten en ideeën te begrijpen niet blijft hangen. Niemand is meer of minder in het bezitten van talent. Het enige aanzienlijke verschil is simpel: iedereen heeft weer een ander talent, wat weer glashelder teruggekoppeld kan worden aan het model van Gardner. Het concept is hetzelfde.

 

 

Ook blijkt een vervolgopleiding voor menig MBO, HBO of universitair student met name in de eerste paar jaar een enorme, vaak té grote sprong, wat in schrikbarend veel gevallen leidt tot depressie en een aangetast zelfbeeld. Ook het feit dat er té veel opties zijn kan leiden tot mentale zwakte, terwijl met name de huidige regering de student alsnog in een hokje probeert te dwingen door zinloze boetes als de langstudeerboete op te leggen wanneer men “te lang” doet over de studie. Ik spreek deels uit persoonlijke ervaring wat betreft gemoedstoestand als jonge student die net komt kijken. Dit is simpelweg het gevolg van een ernstig gebrek aan vaardigheden, zoals binnen korte tijd de afweging kunnen maken tussen een rationele en een emotioneel getriggerde beslissing. Ook het kunnen schrijven van een brief zonder spelfouten blijkt een brug te ver, terwijl dit nodig is om zowel op vervolgopleidingen als later op de arbeidsmarkt je als individu fatsoenlijk te profileren. Vaardigheden leiden tot zelfkennis. Bij goede zelfkennis kunnen we pas spreken van een zekere mate van mentale stabiliteit en een stevige persoonlijke basis waarop verder kan worden gebouwd.

 

Even terugkomend op schriftelijke vaardigheden: tegenwoordig is het op menig HBO en universiteit verplicht om een instaptoets Nederlands te maken. Dit telt mee als volwaardig onderdeel om te bepalen of je je opleiding mag voortzetten. Ik ben zelf welgeteld twéé keer naar het ondersteunend college geweest, wist nota bene méér dan de docent en heb de toets aan het einde van de eerste periode vrijwel moeiteloos gehaald. Van de zestig studenten in het eerste jaar toentertijd maakte ik deel uit van de slechts twintig(!) die een voldoende kregen. Dit vond ik treurig om te lezen, om nog maar te zwijgen over de talloze taal- en spelfouten die zelfs in de readers en dia’s staan. Met andere woorden, de studenten móeten de desbetreffende toets maken, terwijl de docenten er evenmin van bakken. Afijn, als we terugkomen op de meervoudige intelligenties leert het ons dat men niet op alle gebieden even sterk is, waar taalbeheersing één van is. Toch vind ik 20 van de 60, exclusief een deel van de docenten, waarvan het overgrote deel autochtoon en zónder dyslexie, op z’n zachts gezegd zorgelijk.

 

Ik pleit voor vernieuwing in het onderwijs; onderwijs met meer aandacht voor de meervoudige intelligenties, verschillende leerstijlen en vaardigheden. Hiermee doel ik vooral op communicatieve en sociale vaardigheden. Dit zijn de vaardigheden waar tenslotte alles in deze alsmaar veranderende samenleving om draait. Met communicatieve vaardigheden bedoel ik zowel mondeling als schriftelijk. Met goede communicatie bereikt men meer, zijn alle betrokkenen sneller tevreden en wordt er tevens meer sociale samenhang gerealiseerd. Als mens zal men namelijk levenslang voortdurend te maken krijgen met anderen, aangezien we op deze aardbol leven met miljarden. Samenwerking is een alledaagse bezigheid en dus is het van uiterst belang dat dit goed verloopt. Ook heeft iedereen een andere leerstijl. Hier zal ik niet tot in de details op ingaan, maar kort samengevat zijn er doeners, denkers, dromers en beslissers.


D
aarnaast moeten er op iedere middelbare school in Nederland, maar ook wereldwijd, posters komen te hangen van het model van Gardner. Het zegt alles over het aangeboren kunnen en de capaciteiten van de mens. Dit zou er tevens voor zorgen dat docenten eerder uitgaan van de krachten van hun leerlingen in plaats van hun beperkingen. Ik ben zelf gedurende mijn gehele schoolloopbaan jaar in, jaar uit significant vaker op mijn zwakheden gewezen dan mijn talenten. Zo leid ik bijvoorbeeld aan dyscalculie, een term die mijn computer niet eens kent. Onacceptabel. Ik zou veroordeeld worden tot bijles in rekenen en wiskunde, puur om meer in het ideaalplaatje van de school te passen. Toch was het zinloos. Als ik iets begreep, wat op zich al een wonder was, bleef dit slechts enkele uren hangen. Daarom heb ik mijn middelbare schooltijd ervaren als een slijtageslag en met hakken over de sloot toch nog mijn VWO diploma weten te behalen. Dit heb ik vooral te danken aan mijn overheersende alfa-kant.


Bij docentschap zijn mensenkennis en weet van de ontwikkelende adolescent vereist. Schort het op dit gebied, dan mag men in mijn ogen géén docent worden. De leraar op zowel de basisschool als de middelbare school heeft als taak bij te dragen aan de algemene vorming van de mens en zijn toekomstige beroepshouding. Ook hoort de docent de leerling enthousiast te maken voor zijn of haar vak, ook al is het misschien niet iedereens sterkste. Dit doe je door het persoonlijk te maken door middel van interactiviteit, door uitstraling te tonen en een duidelijk verband te leggen met de toekomst, met de nodige vaardigheden die daarbij essentieel zijn. Dit heb ik in mijn eigen schooltijd slechts bij een handjevol leraren zo ervaren, waardoor ik toch nog even enthousiast werd voor vakken die mij niet lagen. Dit duurde echter niet lang. Het ontstaan van de zesjescultuur zie ik daarom ook als een weinig verbazend verschijnsel. De docent kán een held zijn, maar zonder cape en de nodige krachten kom je niet ver.