Soms, als ik met het zendingswerk bezig ben heb ik het gevoel alsof ik in een vreemde taal spreek. Toch spreek ik echt beschaaft Nederlands en wel tegen rasechte Nederlanders. Toch is er vrijwel niemand die echt naar mij wil luisteren. Soms kom ik mensen tegen en die proberen mij over te halen om naar hún halve waarheden te luisteren die uit hún geloof voorvloeien. In 1 Korintiërs 14:1-22 is dat wel anders want daar verstaat niemand de taal omdat er in tongen wordt gesproken maar wij leven nu ook in een hele andere tijd. In de tijd van Paulus wilde men wel luisteren maar begreep vrijwel niemand er iets van, nu in onze huidige tijd wil niemand luisteren terwijl iedereen kan begrijpen wat je zegt. Er worden in 1 Korintiërs 14:1-22 verschillende gaven opgesomd. Welke van deze gaven zouden echter door een toeschouwer worden herkend bij het opleggen der handen? Het woord van wijsheid en het woord van kennis zijn evenzeer gaven als welke andere ook. Wie zou het echter weten als iemand deze gave zou bezitten of door handoplegging zou ontvangen? Zo kan men ook de gave des geloofs ontvangen en men zou er evenmin iets van merken. Of laten we aannemen, dat de mens de gave van gezondmaking heeft of om wonderen tot stand te brengen. Dit zou evenmin op dat ogenblik gezien of bemerkt worden. Tijd en omstandigheden zijn nodig om deze gaven in werking te doen treden. Veronderstel nou eens dat iemand de gave had om geesten te kunnen onderscheiden. Wie zou dat weten? Of als hij de gave van uitlegging der talen had? Zolang er niet in een vreemde taal wordt gesproken kan hij alleen maar zwijgen. Er zijn slechts twee gaven die zichtbaar gemaakt kunnen worden en dat zijn de gave van talen en de gave van profetie. Hierover wordt in 1 Korintiërs 14:1-22 het meest gesproken, en toch, als iemand in een onbekende taal zou spreken, zou hij volgens Paulus getuigenis voor zijn toehoorders barbaars zijn. Men zou zeggen, dat het brabbeltaal was, en als hij zou profeteren dan zou men het onzin noemen. De gave van talen is misschien de geringste van alle gaven, maar toch is het een gave waarnaar het meest gestreefd wordt.

Aldus konden volgens het getuigenis van de Schrift en de manifestaties van de Geest in vroeger dagen de toeschouwers slechts zeer weinig ervan weten, tenzij bij een bijzondere gelegenheid zoals op de dag van het Pinksterfeest. (Handelingen 2:1-41.) De grootste, beste en nuttigste gaven worden door de toeschouwers in het geheel niet opgemerkt. Het is waar, dat een mens kan profeteren, hetgeen een grote gave is, ja één, waarnaar de mensen in de kerk volgens Paulus ijverig moeten streven, (1 Korintiërs 16:26-40) ja, meer dan om in talen te spreken. Maar wat weet de wereld van profeteren? Paulus zegt, dat deze gave alleen de gelovigen van nut is. Maar zeggen de Schriften niet, dat men tijdens het Pinksterfeest in talen sprak en profeteerde? Ja, maar wie heeft deze Schriften geschreven? Niet de mens van de wereld of een toevallige toeschouwer, doch de Apostelen die de ene gave van de andere konden onderscheiden en natuurlijk in staat waren daarover te schrijven.

Wij kunnen anderen helpen om de ene gave van de andere te onderscheiden en ingevingen van de Geest beter te herkennen als wij getuigen van de invloed van de Heilige Geest in ons leven en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.