Daar zit ik dan, zo goed als afgestudeerd als econome.  Klaar voor de laatste loodjes voordat ik de harde zakenwereld, hedendaags nog steeds voornamelijk bestaande uit mannen, moet betreden als 21-jarige blonde vrouw. Volgens de meeste van de mannen, ouderwets dat ze zijn, is dat veels te jong veels te vrouwelijk en veels te blond. Wij worden in hun jargon ook wel ‘de blonde schapen’ genoemd.

Dat dit nog steeds de algemene gedachte over vrouwen is, bleek wel toen ik deze week een random bedrijf binnenliep. Het eerste geslacht dat ik tegen kwam was geen man maar een vrouw. ´Ha´ dacht ik `hier zijn de vrouwen doorgebroken!´ Maar nee, het bleek de koffiedame te zijn. Eenmaal binnen in het daadwerkelijke kantoor, was er geen vrouw meer te bekkenen. Mannen. Alleen maar mannen. Waar me zelfs tussen de mannen zelf een duidelijke hiërarchie opviel. Hoe harder de mannen praten, hoe hoger in de hierarchie. Hoe harder de mannen praten, hoe minder inhoud hun geblaat heeft. Hoe lager in de hiërarchie, hoe stiller en bescheidener de mannen worden. Hoe lager in de hiërarchie, hoe verder weggestopt in het kantoor en hoe simpeler de kledij. Echter, deze mannen, dat zijn de echte helden! Dat zijn de mannen die 24 uur per dag achter de computer zitten. Zij zijn het die de wiskundige modellen bouwen waarmee ze perfect op de beurs in kunnen spelen. Het zijn hun hersenen die zorgen voor de miljoenen die binnenstromen. Hulde aan hen! Zonder hen zijn de praatgrage baasjes helemaal niets. Zonder hen hebben ze helemaal niets om luidruchtig over op te scheppen.

Deze logica volgend, wil ik graag terugkomen op de vrouw die ik tegenkwam bij binnenkomst. Zij is eigenlijk nog het meest onmisbaar. Want wat zijn mannen zonder koffie? Hulpeloos! Volkomen hulpeloos; ‘Koffiezetten? Hoezo? Dat komt toch gewoon uit de kraan?’

Die zogenaamde hiërarchie is dus blijkbaar aan verversing toe en ik denk dat ik met mijn 21 jaar, vrouwelijke geslacht, en dus met mijn uitzondering-op-de-regel-verschijning een goede stap in de richting zet. Toen ik langs een weiland terugliep naar de bushalte die mij van het bedrijf af weer naar huis moest brengen werd ik overmand door een enorme strijdlust. Deze werd aangewakkerd door het geblaat dat mij werd toegeworpen van de wollige beestjes naast mij in het gras. Ik lachte terug naar mijn lotgenoten en dacht: ‘We komen eraan! Dit wordt het tijdperk van de blonde schapen!’