Een deel van de Joodse exclusiviteit was zonder twijfel te wijten of te danken aan het feit dat de Joden zich erg dicht in de buurt van andere natiën bevonden, die over het algemeen machtiger dan zijzelf waren. Er was altijd de grote verleiding om de slechte invloeden van vreemdelingen over te nemen en zich aldus de toorn van Jehova op de hals te halen. In het bijzonder gold dit voor de Joden die niet in Palestina woonden. Ontheemd hing het bewaren van hun nationale identiteit af van de vaardigheid waarmee zij hun Joodse erfenis wisten te continueren. Vandaar ook de geweldige nadruk die zij legden op de instructie die in de Thora beschreven was. Elk facet van het Joodse leven was versmolten met die theologie en onderwijs was geen uitzondering. Waar de Joodse kinderen ook woonden, overal werd hun onderwezen dat zij een uitverkoren volk waren, dat zij door God geroepen waren en dat zij ervoor moesten zorgen dat zij niet door de heidenen bezoedeld werden door wie zij omringd waren want dan zouden zij hun uitverkoren positie prijsgeven. Indien een Jood door zijn woorden of gedragingen de oudsten mishaagde, kon hij letterlijk “uit de synagoge uitgeworpen” worden, dat wil zeggen uitgebannen of geëxcommuniceerd worden. (Zie bijvoorbeeld Johannes 9:13-34.) Het is dan ook niet verwonderlijk dat Petrus en Paulus over het algemeen op problemen stuitten. (Zie Handelingen 4:16-18, 5:17-32, 13:44-50.) De niet-Joden zagen het christendom wellicht louter als een nieuwe Joodse sekte zoals de Farizeeën en Sadduceeën. Maar de Joden? Nooit!  

     Het woord gentile, wat niet-Jood betekend, is afgeleid van het Latijnse gentilis dat op zich weer is afgeleid van gens wat het Latijnse woord voor “volk” is. In het Joodse denken omvatte het alle ‘niet-Hebreeuwse volkeren’. Soms werd de term als schimpwoord gebruikt maar soms ook niet. Vaak werd hij louter gebruikt om die mensen of natiën aan te duiden, van wie God niet Jehova was of van wie de  godsdienstige gebruiken vreemd waren aan die van de Israëlieten.

     De Romeinse wereld was grotendeels heidens georiënteerd, die de goden van verschillende natiën  aanvaardde en zelfs aanhingen terwijl de Joden in slechts één enkele God namelijk Jehova geloofden en aanbaden. Van al de goden der mensen was Hij de enige die echt bestond. De niet-Joden konden Joods worden, vooropgesteld dat zij bereid waren alle vereisten van de wet van Mozes te onderschrijven, de besnijdenis daarbij inbegrepen. Zij die dat niet wilden werden over het algemeen als minderwaardig aan Gods “uitverkoren volk” beschouwd. (Zie Deuteronomium 7:6, 10:15, 14:2 en Jesaja 41:8 die allen spreken van Gods uitverkoren volk.) Wat de Joden vergaten waren, was dat zij uit de volkeren der aarde uitgekozen waren voor een bijzondere zending namelijk om iedereen te zegenen met de waarheden van God want zij waren niet uitverkoren om die zegeningen aan hun zelf voor te houden. Evenmin maakte het bezit van deze waarheden hen beter dan andere volkeren.  Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd. (Lucas 12:48.) Zelfs de apostelen moesten zich deze belangrijke waarheid eigen maken en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.