De Bijbel verhaalt vaak en uitvoerig over slaven, slavernij en slavenhandel. De bijvrouw van Abraham, Hagar, was een Egyptische slavin die hem zijn eerste zoon, Ismaël, schonk. Zijn achterkleinzoon Jozef werd als slaaf naar Egypte gevoerd. Het hele Joodse volk was in Egypte in slavernij geraakt, waaraan het onder leiding van Mozes kon ontsnappen. De Bijbel geeft uitvoerige regels voor het behandelen van slaven. Zo is het volgens het Oude Testament verboden om Joden voor altijd in slavernij te houden, (Exodus 21:2) wordt de verkoop van dochters als slavinnen gereguleerd (Exodus 21:7-11) en wordt het roven van Joden om hen als slaaf te verkopen met de dood bestraft. (Deuteronomium 24:7.) Maar ook konden slaven uit omringende volkeren worden gekocht. Deze niet-Joodse slaven waren dan voor altijd eigendom van de koper en konden als erfelijk bezit worden overgedragen aan het nageslacht. (Leviticus 25:44-46.)

Jezus, geeft in het Nieuwe Testament verschillende parabels waarin gesproken wordt over slaven en meesters, maar keurt het niet expliciet af. De meeste verzen in het Nieuwe Testament waarin de slaaf direct genoemd wordt geven aan dat deze zich moet schikken in zijn lot en gehoorzaam moet zijn aan de meester (Lucas 12:47, 1 Timoteüs 6:1, Titus 2:9-10, Efeziërs 6:5, 1 Petrus 2:18-19).

In de dagen van Filemon en Onesimus waren slaven geheel aan de genade van hun meesters overgeleverd. Zelfs onbeduidende overtredingen werden vaak op de wreedste manieren bestraft. Kenmerkend voor de onbeperkte macht die de meesters genoten is deze uitspraak van Vincent: “Het standpunt van de wet ten aanzien van de slaaf blijkt duidelijk uit de woorden ‘servile caput nullum just habet’, de slaaf heeft geen recht. In de dagen van Augustus liet Pollio (Gaius Asinius Pollio, 75 v. Chr.- 2 n. Chr., Romeins militair, redenaar en politicus) een slaaf in een vijver met vraatzuchtige lampreien werpen. (Lampreien worden ook wel zeeprikken of negenoog genoemd. Het zijn kaakloze dieren, rovers of parasieten, die met hun zuigmond en raspbek hun slachtoffers uitkiezen.) Augustus kwam tussenbeiden, maar liet later een van zijn eigen slaven aan de mast van een schip kruisigen wegens het eten van een van zijn lievelingskwartels. Decimus Junius Juvenalis beschrijft hoe een losbandige vrouw opdracht gaf een slaaf te kruisigen. Iemand protesteerde daartegen waarop zij antwoordde: “Dus een slaaf is een mens, hè? U zegt dat hij niets gedaan heeft. Best. Maar ik beveel het. Laat mijn genoegen dan maar de reden zijn.” (Deel vi, blz. 219.) Marcus Valerius Martialis (Romeins puntdichter, ±40 – ±120 n. Chr.) geeft een voorbeeld van een meester die een slaaf zijn tong afsnijdt. Volgens de oude Romeinse wet kon men ter dood gebracht worden voor het doden van een ploegos maar de moordenaar van een slaaf werd niet ter verantwoording geroepen. (“Gij zult mijn getuigen zijn” blz. 177.)

     En nu verlang ik dat deze ongelijkheid niet meer voorkomt in dit land, in het bijzonder onder dit, mijn volk; ik verlang juist dat dit land een land van vrijheid is, en dat ieder mens zijn rechten en voorrechten in gelijke mate zal kunnen genieten, voor zolang het de Heer goeddunkt dat wij leven en het land erfelijk bezitten, ja, zelfs voor zolang er nog iemand van ons nageslacht overblijft op het oppervlak van het land. (Mozes 29:32.) En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.