Hond 1
Toen wij ons hondje moesten in laten slapen, viel er een gat in ons leven. Er was verdriet. Ik dacht dat ik een keiharde vent was, maar dat bleek niet waar en ik liet mijn tranen de vrije loop. Ik miste het stomme dier heel erg, ondanks dat wij nooit overdreven intiem waren geweest. Het was een nuffig nest en zij deelde haar kusjes spaarzaam uit. Pas na lang soebatten gaf ze een genadig likje op mijn wang en daar moest ik het maar mee doen. In mijn hart had ik altijd graag een hond gehad die aanhankelijker was.
Na een paar maanden zonder hond, deed mijn vrouw schuchter het voorstel eens naar het asiel te gaan. “Alleen maar kijken hoor!” verzekerde ze mij. “Goed, goed” ” beaamde ik, “Alleen maar kijken” Jawel, dát heb ik geweten! Een onzichtbare geest stond bij die woorden hoofdschuddend toe te kijken. Hij wist beter!
Bij het asiel kregen wij toestemming langs de hokken te lopen om te zien wat er aan honds assortiment aanwezig was. En direct viel mijn oog op Fred, een kooiker hondje. Hij stond met de voorpoten tegen het hek, zijn staart zwiepte heen en weer, zijn achterlijf kronkelde en zijn ogen keken mij smekend aan. Heel zijn lichaamstaal en wanhopige smeking in die hondenogen drukte maar één stomme bede uit:” Baasje, baasje, neem mij mee, neem mij mee! Ik zit hier zo eenzaam in dit betonnen hok.Kies mij. Neem me mee.Ik zal je in ruil ál mijn liefde geven!!”
Ik hurkte neer en opende het deurtje. Direct begon hij verwoed mijn handen en gezicht te likken en het zwiepen van zijn staart ging sneller en sneller. Toen was ik verkocht! Ik zei tegen mijn vrouw: “Dát wordt ‘m. Die gaat mee naar huis.”
Zo kwam Binkie in ons leven. Die nieuwe naam gaf ik hem omdat ik altijd naar een trouwe vriend en kameraad had gezocht, in het Bargoens de naam Bink dragend. Aan zijn oude naam Fred was veel verdriet verbonden, die hij in zijn vierjarig leventje al had ondervonden. Verdriet die hij bij ons in ons rustige huisje met veel geduld en liefde zou vergeten. Hij had drie adressen gehad. In Gulp, Geleen en Naarden. Overal had men hem weer gedumpt en in een asiel geplaatst. Zes weken zat hij nu weer in dit asiel en God weet hoe vaak hij zich vergeefs had aangeboden in vruchteloze poging een nieuw tehuis en baasje te krijgen. Helaas. Hij had de schijn en oordeel tegen. Gegadigden zagen na inzage van zijn rapport van adoptie af. Hij had een strafblad! Hij was een vurig hater van katten.. maar het ergste was, hij had kinderen gebeten! Maar ik vond dat hij een nieuwe kans verdiende. Dat hij geen vriend van katten was, vond ik redelijk. Dat bewees dat hij een rechtschapen hond was. Ik ben zelf ook geen minnaar van die mini-tijgers. En dat hij kinderen gebeten had? Dáár had ik ook mijn gedachten over. Bepaalde kinderen kunnen zéér jong, zéér wreed zijn! En het is mijn vaste overtuiging dat dieren in de aard niet slecht zijn, maar vals kunnen worden gemaakt.
Die poezenhaat heeft hij onmiddellijk na intrede in onze behuizing aan Brutus, een grof gebouwde rode kater, die de buurt terroriseerde, op niet misverstane wijze duidelijk gemaakt en hem aan het katten verstand gebracht hóé de zaken er in ‘t vervolg bij lagen. Die kater had altijd permanent een strategische positie ingenomen in een brede doorgang. Voor honden die de juiste nederigheid en respect toonden, stond het beest minzaam toe hem te passeren. Zo had hij ook mijn overleden hondje geprest om bedeesd, met gebogen kopje en slepende tred een wijde eerbiedige boog om hem te maken. In jeugdige overmoed had die namelijk eens de fatale fout gemaakt zonder respect te tonen op Brutus af te stormen. Maar de rode naarling had koelbloedig de rug gekromd, een klauw met scherpe nagels gevaarlijk geheven met de duidelijke waarschuwing.”Hier heb ik een lel!! Hou je gedeist of je krijgt ‘m!!!!”
Maar Binkie liet zich niet intimideren. Hij stortte zich op Brutus als een piranja op de blote kuiten van een Indiaan en joeg hem dwars door tuinen en heggen de boom in. En dat was dat! Na voor de kater nog enkele duidelijke waarschuwingen omhoog te hebben geblaft, vervolgde Binkie tevreden zijn weg. De rode mini-tijger is getemd en vlied ijlings, met de staart omhoog naar veiliger oorden zodra hij Binkie in het oog krijgt.
Wordt vervolgd

Th.G.Baalman
1
HOND deel 2
Terug naar onze nieuwe hond. Hij is nu vrij en blij. Ik houd niet van dieren in hokken en ben overtuigd dat God alle dieren vrij geschapen heeft. Nooit meer vergeet ik die eerste dag, toen ik het dier voor het eerst uitliet. Hij ging volkomen uit zijn bol! Losgelaten op het grasveld rende hij in dolle vaart, in grote cirkels, dronken van vreugde en vrijheid rond. Heel die verdrietige tijd, zes weken opgesloten zitten, wierp hij nu in uitbundige wervelende vreugde van zich af. Vermoeid, maar met schitterende ogen stelde hij zich na zijn dolle pret hijgerig op voor mij en keek met glinsterende dankbare ogen naar mij op. Het ontroerde mij en ik nam mij voor dat, wat er ook zou gebeuren, ik hem nooit meer zijn vrijheid zou ontnemen en hem, hoe goed die mensen ook voor dieren zijn, hem in een asiel te plaatsen. En hij wéét het! ‘s Avonds, liggend op de bank, kijkt hij mij onafgebroken aan en zijn ogen vertellen wat hij wil zeggen: “Jij bent de man die mij uit dat asiel heeft gehaald!”
Het is een komiek dier die daar in het Katholieke zuiden bidden heeft geleerd. Hij laat zich, op zijn rug liggend graag op de buik aaien. Daar is hij dol op. Maar als wij stoppen met die liefkozing, dan vouwt hij de voorpoten in gebed en steekt die smekend omhoog: “Alsjeblieft,” betekent zijn bede, “Ga door!”
Met zijn zacht zijdeachtig krulhaar, fraaie pluimstaart en mooi getekend kopje, moet hij voor de teefjes een Bink zijn om de poten bij af te likken. Helaas. Hij is “geholpen”, dus een hondse Eunuch, zodat er voor de dames niets anders aan zit, dan wat oppervlakkig snuffelcontact.
Mijn wens is vervuld. Ik heb op mijn hoge leeftijd van 81 jaar een vriend, een Kooiker hondje, een maatje verkregen, een dier die van mij houdt en dat ondubbelzinnig laat blijken. Zijn blijdschap bij een weerzien na afwezigheid, is met geen pen te beschrijven. Hij is dan compleet de stem kwijt en verliest volkomen de controle over staart en lichaam en kan alleen maar zacht kreunen van genot als hij het kronkelende lijf tegen mij aandrukt. Zijn hele lijf schudt en beeft van vreugde en hij tracht, hoogopgericht op de achterpoten mijn gezicht te bereiken om die te likken. Zijn vertoon van vreugde en aanhankelijkheid doet mij de dagelijkse verdrietigheden en beslommeringen vergeten.
Wat mij in het dier het meest ontroert, is de levenslust en blijdschap, die hij uitstraalt en die maakt dat ik mijn eigen lauwheid pijnlijk besef. Christus zei, wijzend op kinderen: ” Wordt als deze kinderen.” Mogen wij nu daar ook een Kooiker hondje bij rekenen, Heer ?
Th.G.Baalman
Uit mijn boek “Snippers van leven