Wie stukjes schrijft en tracht wat humor, of, oh doodzonde, eigen mening daarin te mengen, krijgt te maken met lieden, die op of aanmerkingen hebben. Vaak personen die zelf niet in staat zijn één aardige zin op papier te zetten. Die je aanvallen op je religieuze of politieke mening. Soms zijn reacties positief en dat is aardig, soms met opbouwende kritiek, soms benepen en kleinzielig, soms ronduit beledigend. Het zij zo. Je kunt het nu eenmaal niet iedereen naar de zin maken. Een man zei eens tegen zijn vittende vrouw die altijd haar zin door wilde drijven, “Ik kan jouw zin niet doen, want als ik jouw zin moet doen, dan is het mijn zin niet meer!” En dat is diep waar.
Vaak roept een schrijver van stukjes onheil over eigen hoofd af. Want als ze aanslaan, dan verlangt het leespubliek méér. Hij komt dan in de situatie te verkeren van een man die een hongerige tijger bij de staart vasthoudt. Het beest wil hem opvreten. Dat is duidelijk. De man wil dat begrijplijk verhinderen. Zo zit hij dus vast aan de staart van het tijger-publiek, een monster die hij zelf heeft losgelaten. Dat klinkt paradoxaal, of beter diametraal (om weer kritiek te vermijden,) maar u doet het er maar mee.
Humor is een kostbaar geschenk. Een mooi doosje, door de goede God aan mensen gegeven om er verdriet in op te bergen. Humor vindt men zelden bij atheïsten of hooguit een soort bittere cynische humor, “Böse Menschen haben keine Lieder” schreef Goethe. Maar ook geen humor! Humor vindt men zelden bij machthebbers, hoge politici en dictators. Deze “IJzere Heinen” zijn berucht om hun gebrek aan humor. Het redden van de wereld en mensheid met hun doctrines en ideologieën is blijkbaar zo’n ernstige zaak, dat er geen lachje af kan. Zag u ooit een foto van een lachende Hitler? Waren het sarcastisch lachje van Herman Göring, de kikkerbek smile van Rudolf Hess, de kinnebak grimas van Mussolini een uiting van humor? Of de krokodillen grimlach van massamoordenaar Stalin, het humorloze strijkboutengezicht van Breznew en het gladde blotebillen gelaat van Napoleon dat?
Zij zijn van het wereldtoneel verdwenen, die massieve vierkante mannen, die hoge partijbonzen van het Russische Politburo. Bij iedere 1 Mei parade zag men ze op de muur van het Kremlin staan. Bij het zien van die humorloze koppen, bekroop mij altijd weer het idee, dat zij stuk voor stuk geteisterd werden door stekende likdoorns of brandende aambeien.
In het Westen treft men die typen ook aan. Hooggeplaatste politici, die constant een dierbare afgestorvene schijnen te bewenen, of spiertrekkingen om de mond vertonen, die weinig met een glimlach te maken hebben. Zoals het wellustige grijnsje van Ruud Lubbers die daarbij schijnt te denken aan het moment dat hij in een vrouwenbil knijpt. Of het zoetig preutse lachje van Elco Brinkman, een uit zijn krachten gegroeide misdienaar met de mimiek van een hardgekookt ei. Het uitgestreken hebberige graaigelaat van Wim Kok, zonder spoor van vreugde, terwijl hij toch in bezit is van een berg gestolen en nooit teruggegeven kwartjes. Hirsch Ballin. Onecht kind van Vrouwe Justitia. Die lacht zelfs niet een kwartier nadat hij eindelijk de pointe van een goede mop gesnapt heeft. Mevrouw Mai-Weggen, ex minister van verkeer en Car-Pool-ster. Wist het duurste stukje snelweg (60 miljoen) aan te leggen tot onnut en ergernis. Het is dit droevige feit die haar belet een lachje op het gelaat te tonen. Simons, ex minister van Gezondheid. Een met snor beplakt paasei, die niet kan lachen omdat dan die snor afzakt. Maakte van de gezondheidszorg zo’n puinhoop, dat hij er zelf niets meer van snapte. Ed van Tijn, gewezen hoge politici, die ondanks dat een oorarts constateerde dat zijn hoofd volkomen leeg was, burgermeester van Amsterdam mocht worden en die sindsdien alleen maar leeghoofdig kan grijnzen. Bij het lachje van oudpresident Richard Nixon, moest ik altijd weer denken aan het gezichtje van mijn kleine broertje, wanneer die op ‘t potje zat te drukken. Die vertoonde net zo’n pijnlijk lachje!
Echte humor is mij bijgebleven uit de oorlog, van Winston Churchill, die de pochende Hermann Göring belachelijk maakte en de humor van de geplaagde en gebombardeerde Berlijners.
Hermann Góring, de dikke praalhans en Rijksmaarschalk had in 1940 gesnoefd dat hij met zijn Luftwaffe Londen zou ausradieren en Engeland als een kip de nek om draaien! Na maandenlange zware bombardementen op het onwrikbare Britse bastion, bleek de pocher de tanden te hebben stukgebeten op de Engelse weerstand en vastberadenheid. Zijn trotse luchtvloot fladderde zwaar gehavend terug naar de Heimat. Churchill memoreerde de in het Lagerhuis de overwinning met de woorden,”Wát een kip! Wát een nek!
In die zelfde tijd had Góring ook gesnoefd , dat geen Engels vliegtuig kans zou zien Berlijn te bombarderen,of zijn naam zou Meijer heetten. Toen reeds vroeg in 1940 Engelse bommenwerpers als vergelding Berlijn bombardeerden, noemden de Berlijners, met veel gevoel voor humor (ondanks de ellende) de Engelse vliegtuigen in vervolg “Meijer orgels”
Ook bij religieuze leiders, predikers en leeraars is het zelden lachen geblazen. Als ik mijn ogen sluit verschijnt dat beeld van mijnheer pastoor op mijn privé beeldscherm onder mijn schedeldak. Die pastoor was groot van gestalte, had een kop als een stier en de buik van een nijlpaard. Hij kon brullen als een gorilla die ze zijn tros bananen hebben afgepikt en bewoog zich voort gelijk een olifant door het oerwoud. Van hem genoten wij godsdienst onderwijs. Dat gebeurde op dinsdag, een halfuur vóór ons speelkwartiertje dat hij strijk en zet verkletste met zijn zware galmende stem, als het droevige loeien van een op een ijsschots verdwaalde zeehonden baby. Want als hij goed op dreef was kon geen duimdikke stalen plaat hem stuiten. Op die momenten zaten wij hem en-bloc te haten, hem en zijn zaligmakende dogma’s, die hij humorloos en gortdroog als lepels woestijnzand in onze oren goot. Met een piepend krijtje tekende hij vaten op het bord waaruit “aflaten” konden worden getapt, die recht gaven op korting bij een verblijf in het vagevuur. Hij orakelde tot wij er wezenloos van werden en verpletterd zaten onder de doemzware bedreigingen, die hij namens zijn wraakzuchtige god over ons uitstortte.
Het was me ‘t godje wel, waar hij de boodschappen voor mocht doen. Deze god hield niet van vrolijkheid en had het speciaal voorzien op kleine jongens die zondags niet bij hem kwamen buurten. Namens die “lieve heer” stelde hij ons straffen in het vooruitzicht. Losjesweg deelde hij mee dat die schandknapen eeuwig moesten verblijven in een witgestookte hel. Een mededeling die je als tienjarig knaapje niet zomaar langs de koude kleren laat glijden. Daar ik mij, ondanks mijn prille leeftijd menigmaal aan “doodzonden” schuldig maakte, zoals dat zondags niet ter kerke gaan, was ik een geheid kandidaat voor het helle-tarief dat op zo’n verzuim stond.
Die hel en het vooruitzicht daarin eeuwig te moeten verblijven, hebben mijn prille levensvreugde danig ontwricht. Ga dáár maar eens aanstaan. Eeuwig met je gatje in het vuur. Geen kans op hoger beroep. Niks! Braden met je kanis tot de steekvlammen je neusgaten uitvliegen.
Ik wil dit stuk besluiten met een gedicht van Elisabeth Chéixaou.

O humor Gods, o blijde lach,
Die oplicht na de zware dag!
O meesterlijke kleine daad,
Die mij mijn dwaasheid proeven laat
Met zoveel milde , teed’re spot
Dat ik terug moet lachen God,
Mij in Uw armen stort; een kind
Dat onverwacht den Vader vindt
Zijn toegebogen warmte voelt
En blij begrijpt wat Hij bedoeld,
Verlossend klein wordt, dan bevrijd
Afglijdt tot spelen in de tijd.

Th.G.Baalman