Humor

Tot de mooie dingen in het leven behoort de humor. Ook daar is het Gooi om bekend. Niet zoals de veel geprezen Amsterdamse humor en die van haar tramconducteurs en kroegbazen en de onderbroekenlol, die vaak op de buis wordt geserveerd, nee, Gooise humor is van een ander soort. De humor, die men in het Gooi hoort en ook ziet, is fijner, stiller, beschaafder, maar doeltreffend. Zo hoorde ik in Blaricum een klaagzieke oude dame tegen een morsige tuinman klagen over iets wat haar “een doorn in het oog was!” De man schoof bedachtzaam zijn tabakspruim van de ene wang naar de andere en antwoordde:
“Joa mevrou, zo is ’t moar net. En wa ’n last ka’je al hebbe van ’n vuiltje”.

En de grap met die pastoor in Laren. Het was in de vijftiger jaren. De Eerwaarde pochte, dat hij een privé nachtegaal in zijn tuin bezat, die elke avond prompt om 22.00 uur begon met zijn jubelend lied. Later bleek dat een paar Laarders met humor exact op die tijd van achter zijn hoge heg een bandrecorder afdraaide.

Humor is vertroostend. Een paraplu voor de regen in het hart dat “droefnis” heet. De jus over droge aardappelen. Humor stelt een mens in staat om ondanks alle narigheid toch om zichzelf te lachen. Het geeft de mens, als enige van Gods schepsels, het vermogen van de “glimlach”, die als een plotselinge zonnestraal over een somber landschap het gelaat verlicht. Humor was een goddelijk geschenk aan het bedroefde eerste mensenpaar, toen zij uit het Paradijs werden verdreven. Zij kregen het mee als pleisters op de kwetsuren, die zij onvermijdelijk op de barre levenstocht zouden oplopen.

Humor is moeilijk te creëren. Men heeft het of men heeft het niet. Een schrijver, die poogt iets van die heilige moeilijk te definiëren zaak op papier te zetten, krijgt vaak kritiek. Soms positief en gewaardeerd en dat is aardig. Soms benepen en kleinzielig, soms beledigend.
Zo ontving ik eens een epistel van een zure criticus, die zelf geen aardige zin wist te produceren, maar altijd wat aan te merken had. Zo’n persoon, die in staat is na zijn dood bij de begrafenisondernemer te komen spoken, omdat zijn kist hem niet aanstaat! Die man uit Kortenhoef, die blijkbaar met zuur gezicht de hele dag humeurig op z’n keutel zat te passen, had kritiek. Hij veegde wat woordjes en foutjes bij elkaar en broddelde daar zelf iets omheen. Voor een schrijver van stukjes, die anderen wat plezier wil schenken, is dat niet leuk. Je kunt het nu eenmaal niet iedereen naar de zin maken. Het zij zo. Een man in ’s Graveland zei eens tegen zijn vittende vrouw, die altijd háár zin door wilde drijven: “Ik kan jouw zin niet doen, want als ik jouw zin moet doen, dan is het mijn zin niet meer”. En dat is diep waar.

Humor vindt men zelden bij machthebbers en dictators. “Böse Menschen haben keine Lieder”, schreef Goethe. Ook geen humor. Deze “Ijzeren Heinen” zijn berucht om hun gebrek aan humor. Het redden van wereld en mensheid is blijkbaar zo’n ernstige zaak, dat er bij hen geen lachje afkan. Zag u ooit een foto van een voluit lachende Hitler? Waren het sarcastische lachje van Hermann Göring, de kikkerbek-smile van Rudolf Hess, de kinnebakgrimas van Mussolini een uiting van humor? Of de krokodillengrimlach van massamoordenaar Stalin? Het humorloze barse “porem” (Bargoens voor gezicht)van wijlen Brezjnev en het gladde blote billengezicht van Napoleon? De doodvoorspellende wolvengrijs van Saddam Hoessein.

Zij zijn van het politieke toneel verdwenen. Die massieve, vierkante mannen, die hoge partijbonzen van het Russische Politbureau. Bij iedere 1 meiparade zag je ze op de hoge muur van het Kremlin staan. Bij het zien van die bejaarde, humorloze koppen bekroop mij altijd het idee, dat zij stuk voor stuk werden geteisterd door stekende likdoorns of brandende aambeien. En het lachje van oud president Nixon deed mij altijd denken aan het pijnlijke lachje, dat mijn broertje produceerde als die op het potje zat te drukken.

Ook in het Westen treft men ze aan. Hooggeplaatste politici, die constant een dierbare afgestorvene schijnen te bewenen of spiertrekkingen om de mond produceren, die weinig met een lach te doen hebben. Een uitzondering was Hans Wiegel; die toonde humor. Tijdens een kamerdebat wees hij naar Joop den Uyl en verkondigde met luide stem: “Sinterklaas bestaat. Daar zit hij!” En toen tijdens een spreekbeurt iemand uit de zaal hem toeschreeuwde: “Jan Lul”, repliceerde hij: “Leuk dat u zich even voorstelt. Mijn naam is Wiegel”.

Echte humor is mij bijgebleven van Winston Churchill. Hermann Göring, de baas van de Luftwaffe, had in 1940 gepocht dat hij Engeland als een kip de nek zou omdraaien. Na maandenlange zware bombardementen op het onwrikbare Britse bastion, bleek de pocher de tanden stukgebeten te hebben op de Engelse weerstand en vastberadenheid. Zijn trotse luchtvloot fladderde zwaar gehavend terug naar de Heimat. Churchill memoreerde de overwinning in het Lagerhuis met de woorden: “Wat een kip! Wat een nek!”

In diezelfde tijd had Göring gesnoefd, dat geen Engels vliegtuig kans zou zien Berlijn te bombarderen of zijn naam zou Meijer zijn. Toen reeds vroeg in 1940 Engelse bommenwerpers als vergelding Berlijn bombardeerde, noemde de Berlijners met wrange humor de Engelse vliegtuigen in ’t vervolg: Meijer orgels.

Na de eerste razzia’s, waarbij ook Joden uit het Gooi werden opgepakt door de Grüne Polizei en bijeengedreven waren in de Amsterdamse Schouwburg, klom een hoge SS-officier op het podium en hield een brallende toespraak tot de angstige mensen, waarbij er velen letterlijk waren (te)neergeslagen. Hij legde hun de Naziedoctrine uit en vertelde de geïntimideerde gevangenen, dat zij hun barre lot geheel aan zichzelf te wijten hadden en dat de Führer hen strikt rechtvaardig behandelde. Hij besloot zijn speech voor zijn doodstille publiek met gestrekte arm en luide uitroep: “Heil Hitler!”
In antwoord daarop knalde uit de achterste gelederen zo’n daverende wind, knetterend als een donderslag, dat de officier ervan verbleekte. In zichzelf mompelend van “Dreckjüden” stampte hij woedend op zijn hoge laarzen de zaal uit.

Een enkele keer klonk Gooise humor wat banaal, maar wel om je te bescheuren. In Bussum werkte ik met Gijs van Bremen, een harde werker en robuuste man van weinig woorden, bij de Firma Hilhost aan de Bijlstraat. De vrouw en twee preutse dochters van de baas tobden om het deksel in een vuilnisbak te krijgen. Vergeefs. Gijs kwam erbij, duwde de tobsters opzij en drukte met zijn berenkracht het deksel met één klap erin en sprak: “Zie je wel, hij past als ’n piep in een weduwvrouw!”

Th.G.Baalman