Irr (Deutsch) An einer Störung oder Fehlleistung des Geistesund Seelenlebens leidend

Een grote bolderkar wordt in elkaar gezet op de parkeerplaats. Pakketten vlees, salades en drank gaan er in. Als de kers op de taart, een peuter die vanaf zijn troon argwanend om zich heen kijkt, terwijl mijn nichtje vraag wanneer ze bij mij op de rug kan. De zon schijnt hevig op onze bol en wespen cirkelen om ons heen. De familie is even over de Duitse grens neergestreken voor wat klassieke Duitse Gemütlichkeit. Het woord brengt mij terug naar een tijd van cantusbanken en paraplu-adjes. Ik had niet verwacht die gezelligheid te vinden tussen de dieren van de kinderboerderij. Daar blijkt het ook niet te zijn.

Alles is leuk en alles is wonderlijk voor die kinderen. Met open mond staan ze naar de attracties te kijken. Glijbanen lijken van snoep en de dieren moeten er uit zien alsof ze net van Noach’s Ark af komen. Kinderen hebben zo’n frisse blik op alles. Alles is nieuw. Ik ben ook blij dat het cynisme aan hen nog niet besteed is. Wat een vrolijkheid met die twee; ik geniet er van samen van de glijbaan te gaan en lekker te stoeien op de vlotten. Het kan mij niet gek genoeg zijn. Maar, soms, wanneer ik mijn nichtje op mijn schouder neem of een bal over gooi met mijn neefje voel ik me treurig. Het is een steen die onder op mijn maag ligt en me de bodem in drukt. Het is de blik in hun ogen realiseer ik me nu. Net zoals meerdere mensen de afgelopen tijd anders naar mij hebben gekeken.

Een bordje in het park. Het gaat over het ontstaan van de zon en de maan. “In de begintijd kozen de Goden onder hen om de zon en de maan te dragen. Thalia, een zangeres, werd gekozen om de Zon door de ruimte te begeleiden. Balar, een jager van het Grote Woud mocht de maan vergezellen. Nu wilden de andere goden dat slechts één van de hemellichamen zou verschijnen op elke minuut van de dag. Echter, wanneer Thalia begon te zingen luisterde Balar aandachtig en er was begrip en harmonie tussen de twee. Balar was de eigenzinnigste, iets wat ‘ie nu nog is en werd aangetrokken tot Thalias’ pracht, hoewel de vlammen van de zon hem schroeiden. Soms zijn beiden aan de hemel te zien of gebeurt het dat hij zo dichtbij komt, dat zijn schaduw haar helderheid afsnijdt en er midden op de dag duisternis heerst.”

‘s Nachts lig ik in bed. Het is een warme kamer. Het is bij mijn moeder thuis. Een kamer die ik nooit de mijne heb kunnen noemen. Ik slaap er slecht. Behalve de muggen zit er een splinter in mijn brein. Het blijft malen. Mijn familie is niet meer de familie van weleer, net zoals dit bed mijn bed niet is! Mijn wereld is veranderd, met iedereen er in. Alles is vervreemd. De dekens lijken me te smoren. Ik lijk te verdrinken in mijn kussen. De zwaarte is enorm, ik wil er uit. Mijn ademhaling stokt en iemand lijkt me een tik tegen het hoofd te verkopen. In één ogenblik weet ik mij te herpakken en trek alles van me af en spring uit bed. Ik loop resoluut de kamer uit en sprenkel wat water in mijn gezicht. Het helpt echter niet. Het water dat over mijn gezicht een weg naar beneden vindt vermengt zich met mijn tranen. Het zijn de tranen van een man die weet dat de afgelopen paar jaar nooit meer terug zal komen.