Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. (Romeinen 4:4.) Paulus duidt er hier op dat indien een mens door de werken van de wet gerechtvaardigd zou worden, hij goede reden tot roemen zou hebben, want dan zou de beloning die hij van de Vader ontving een schuld zijn waar hij recht op had voor “bewezen diensten” en niet een gave uit genade. Maar dat is natuurlijk niet het geval. Geen mens zou op eigen kracht de zaligheid kunnen verdienen. Hiermee boorde hij het Joodse idee de grond in dat iemand op de een of andere manier Gods welbehagen en de eeuwige heerlijkheid kon verdienen door gehoorzaamheid aan de wet. In dit verbant is het interessant op te merken dat de woordkeus van de Heer zelf duidelijk maakt dat de mens met ‘niets dat hij zelf zou kunnen doen’ het celestiale koninkrijk zou kunnen verdienen. Wanneer de Heer er ooit over spreekt dat zijn heerlijkheid en koninkrijk aan de mens wordt gegeven, wordt het werkwoord beërven en het zelfstandig naamwoord gave gebruikt. Er is geen aanwijzing dat de gave onvoorwaardelijk wordt gegeven maar het is altijd wel duidelijk dat het een gave is. De Leer en Verbonden maken dat evenwicht volkomen duidelijk: “Indien gij goed doet, ja, en tot het einde getrouw blijft, zult gij behouden worden in het koninkrijk Gods, hetgeen de grootste van alle gaven Gods is; want er is geen grotere gave dan de gave van het heil. (LV 6:13.)

Welke prijs moet de mens betalen voor deze kostbare gave? Geen onderwerping aan normen uit de wet van Mozes, geen naleving van de verordeningen en praktijken van een dode wet, maar de prijs van het geloof, het geloof in de Heer Jezus Christus, het geloof dat het verrichten van werken der gerechtigheid impliceert, een geloof dat zelfs niet eens kan bestaan tenzij en totdat de mens zijn leven in overeenstemming brengt met de normen van het herstelde evangelie.

De zaligheid komt door de verzoening van Christus, door de losprijs die Hij betaalde, de verzoening die Hij tot stand bracht want zonder dit zoenoffer zouden goede werken van de kant van de mensen hen niet van de lichamelijke dood kunnen verlossen, welke verlossing de opstanding is, of hen van de geestelijke dood kunnen verlossen, welke verlossing het eeuwige leven is. (McConkie, DNTC, deel 2, blz. 231.)

“Daarom zijt gij uit geloof en werken gerechtvaardigd, door genade, opdat de belofte zou gelden voor al het nageslacht; niet alleen voor hen die uit de wet zijn, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is”. (Romeinen 4:16. Geïnspireerde versie.)

De Heer heeft gezegd: ‘Dit is mijn werk en mijn heerlijkheid: de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van de mens tot stand te brengen’ (Mozes 1:39). Onsterfelijk zijn houdt in eeuwig te leven als een herrezen mens. Dankzij de verzoening van Jezus Christus ontvangt iedereen deze gave. Eeuwig leven, ofwel verhoging, houdt in toegelaten te worden tot de hoogste graad in het celestiaal koninkrijk, waar we in Gods tegenwoordigheid in gezinsverband zullen wonen. (Zie LV 131:1–4.) Evenals de onsterfelijkheid wordt ook deze gave mogelijk gemaakt door de verzoening van Jezus Christus. Maar zij vergt wel onze ‘gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen van het herstelde evangelie’ (Geloofsartikelen 1:3). En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.