Even gauw naar huis. Poes alleen. Al 6 uur. Arm beestje. Als ik thuis kom, word ik warm onthaald met ‘mauw’ en kopjes. Ik denk bijna dat ie zijn neus nog breekt als ie kopjes begint te geven. Ik geef hem nog een extra knuffel, omdat ik me schuldig voel. Ik moet namelijk weer gelijk weg. Toch maakt het beestje me zo blij.

De term ‘kattenmens’ zal je wel eens zijn tegengekomen. Volgens onderzoeken blablabla zijn kattenmensen, ja mensen met een kat, introvert. Nou ik ben alles behalve. Kattenmensen zijn wel slimmer dan iemand die een hond in huis heeft. Kijk dat vind ik dan wel leuk om te geloven. Of het zo is, weet ik niet. Ik heb ook een hond in huis gehad, zou er graag ook wel één willen. Als student is dat alleen niet zo handig. De laatste week van de maand schuif ik regelmatig aan bij moeders. Laat staan als ik een hond ook eten moet geven. Oja, dan komen ze ook nog met een theorie dat kattenmensen zichzelf bijna gedragen als een kat. Ja, ik ren in het rond en vind het heerlijk om gekriebeld te worden. Maar kattig ben ik zeker niet.. denk ik.

Terug de stad in. Studeren, want het is tentamen week. Ik besef dat ik vrolijk word van het beestje. Als ik binnen loop op mijn werk, want ja daar ben ik ondertussen beland, zit er gezelschap aan de bar. Ik proef zijn nieuwsgierigheid naar mijn blijheid. Ik spaar hem zijn vraag en vertel ik al dat ik Poes eten gegeven heb. Dan bedenk ik me dat ik het eigenlijk nog zieliger vind dat ik hem blij heb gemaakt voor niets. Ik ging namelijk gelijk weer weg. Ik denk ondertussen hardop. Gezelschap aan de bar is ineens veranderd in een ontiegelijke oen, wanneer hij durft te zeggen dat het maar een dier is. Maar een dier? Ben je helemaal gek geworden? Ammehoela, maar een dier. Poes, is mijn kat, maar niet maar een dier oké.. Het is dat de oen wel mag en ik weet dat hij het goed bedoeld, maar Poes is niet ‘maar’ een dier, Poes is mijn kat.. MAUW