Omwonenden kunnen gek worden van de herrie van een kinderdagverblijf, maar wat dacht u van de baby’s en peuters zelf? Die raken toch ook over hun toeren als ze de hele dag in een omgeving moeten verkeren waarin geen seconde stilte heerst? Zij hebben toch ook af en toe behoefte aan rust, reinheid en regelmaat? Een dag op de crèche put ze uit. Kijk maar eens hoe lamlendig en vervelend ze zijn als ze aan het einde van de middag met vader of moeder door de supermarkt sjokken, omdat er nog boodschappen gedaan moeten worden voor het avondeten. Totaal afgepeigerd zijn ze, vaak huilend, schoppend en scheldend, boos om niets. Iedereen ziet het, maar niemand durft er iets over te zeggen. Want als hier één ding taboe is verklaard, dan is het wel deze discussie. Wie durft te opperen dat het niet goed is voor een klein kind krijgt meteen de hele vrouwenbeweging over zich heen. Toch vindt vrijwel iedereen dat vaders en moeders de gelegenheid moeten krijgen om te kunnen werken. Maar deze hebben ook de plicht om na te denken wat het beste is voor hun kind.

Hieruit is zondermeer vast gesteld dat het van Satan een grote leugen is dat het contact, wat kleine kinderen met hun ouders hebben, verminderd kan worden. Het kan niet natuurlijk zijn dat kinderen door anderen dan de ouders worden grootgebracht. Welke invloed heeft het op kleine kinderen indien zij gedurende die eerste jaren, waarin zij het meest de liefde en opvoeding van de ouders nodig hebben, voor een groot deel van de tijd uit het gezin worden gehaald? Het Eerste Presidium heeft verklaard: “Dat goddelijk dienstbetoon van het moederschap kan alleen door moeders worden verleend. Het kan niet aan anderen worden doorgegeven. Kindermeisjes, crèches en gehuurde hulp kunnen haar niet vervangen. Alleen de moeder, zoveel mogelijk geholpen door de liefhebbende handen van de vader, broers en zusters, kan de volle hoeveelheid waakzame zorg geven die nodig is”. (Het Eerste Presidium, Heber J. Grant, J. Reuben Clark jr. en David O. Mackay in oktober 1942, zoals in CR van april 1974, blz. 9 en geciteerd door Spencer W. Kimball.)

“Door deze uitgelezen geesten naar de aarde te brengen neemt elke vader en elke moeder jegens de vlees geworden geesten en jegens de Heer zelf – doordat zij gebruik gemaakt hebben van de kans die Hij hun bood – een verplichting op zich van de heiligste soort, omdat het lot van die geesten in de komende eeuwigheden, de zegeningen of straffen die hen in het hiernamaals wachten, voor een groot deel afhangen van de zorg, het onderrichten of de opvoeding die de ouders die geest zullen geven.

     Geen ouder kan zich aan die verplichting en die taak onttrekken. Wij zullen ons tegenover de Heer moeten verantwoorden en moeten bewijzen dat wij op de juiste manier aan deze taak gestalte hebben gegeven. Een sterveling kan geen verhevener taak op zich nemen. (Boodschap van het Eerste Presidium, uitgesproken door J. Reuben Clark jr., in CR van oktober 1942, blz. 12. “Gij zult mijn getuigen zijn” blz. 192-193.)

Ik bid dat wij nederig als kleine kinderen mogen worden en ons best zullen doen om onze kleine kinderen te beschermen, want zij zijn de toekomst, voor ons, voor onze kerk en voor onze naties en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.