Kip of Ei

Eén van de leukste puzzeltjes aan de mensheid gegeven, is de vraag: “Waar komen wij vandaan?’ In wijder verband: “Hóe werd de aarde met de hele santekraam aan mensen en dieren dat daar op, boven en in is, in elkaar gezet én wie flikte het kunstje”.
Knusjes samengevat onder het summiere vraagje: ‘”wat was er eerder, de kip of het ei?”
Met de berg haren, die de geleerde koppen elkaar hebben uitgetrokken om de beantwoording van deze vraag, zijn de strozakken van een kazer­ne te vullen.

Maar kort en goed. De mensen, dieren zijn er! Een enorme wriemelende kluit leven, die beslist verbazing op zouden wekken bij de bemanning van een vliegende schotel. (tekening Vliegende Schotel)

Schrijver dezes is geen geleerd man. Ook een fraai gezegeld “doctorsbul­letje” is niet in mijn bezit. Na het lager schooltje dat ik moeizaam doorstrom­pelde, werd zo’n einddiploma niet verstrekt. Ik ben dus geen partij voor evolutionisten, theologen, filosofen en aanverwante geleerde samenhang, die hun weetje weten in deze zaak of ze er zelf bij zijn geweest. Eenmaal waagde ik het in de kring van dergelijke knappe koppen mid­den in een zeer levendige discussie over de kip en eivraag, de schuchtere opmerking te plaatsen, dat het ei een product was en de kip een produ­cent. Zonder producent géén product, dacht ik, argeloze.

De spraakwaterval stokte gelijk de motor van een voortsnellende auto, die plots in zijn achteruit wordt gezet. Men bekeek mij als een interessant, nog niet gedetermineerd incect. Eén van de bollebozen glimlachte vader­lijk, leidde mij met de arm om de schouders uit de geleerde kring naar een hoek en sloeg mij daar met zó’n stapel kennis, gegoten in gepolijste volzinnen, om de oren, dat ik mij voelde als iemand die de directeur der Nederlandse Bank gevraagd had één Euro te willen beleggen.

Wat de man allemaal zei, vloeide vlot van oor tot oor door mijn suizelend hoofd. Stukjes daarvan, als wrakhout in de branding, zijn me bijgebleven. Oer­nevels, roterende stelsels, gloeiende gasbollen, eigenwijze bolletjes die scheidend in de verkoeling gingen, damp en water, daarin celletjes die deelden en diertjes die vermenigvuldigden. Eind van het liedje was, dat deze na veel zwem- en kruipwerk van de horizontale op de verticale toer gingen, bomen in en uit klauterden, van vier gingen “banjeren” (Bargoens voor lopen) op twee poten, voor aap gingen staan, hun vacht verloren en promoveerden (of devalueerden!) tot naakte wezens die met knuppels elkaar de hersens insloegen.

De man kon best gelijk hebben, dacht ik toen. Vooral dat delingstheo­rietje zat ijzersterk in elkaar. Want . . . het wordt nu nog steeds gedaan. Delen en vermenigvuldigen, het wordt zó enthousiast beoefend dat de aarde kreunt onder de wriemelende massa’s.

Maar toch . . . een mens blijft twijfelen gelijk de belastinginspecteur aan de oprechtheid van de aangiftebiljetten.
Achteraf lijkt de stelling net zo vals als de tanden van mijn opoe. Delen en vermenigvuldigen en dat paringsgewijs, is een aardige bezigheid. Maar zonder prettige beloning voor dat kar­weitje staat het gauw tegen. Niets voor niets, dacht ik zo!
Als je nu ziet hóe hartstochtelijk mannetjes en vrouwtjes elkaar achterna zitten om tot de basis van zo’n (aangenaam) delingsonder­onsje te komen, dan vraagt het simpele verstand zich af: “Wie voegde dat leuke trekje eraan toe?” Kwam die seksuele versnapering toevallig door de evolutie gelijk jeuk aan de neus?

Laten we het “Liefde” noemen, één van de meest misbruikte woorden die er zijn. Maar die liefde is er. Niet alleen die paringsliefde, maar ook liefde voor het resultaat, het kind, het jong, het ei! Als dat er niet was, kwam dat delingsproduct er niet en zo het toch toevallig ontstond, zou het door gebrek aan zorg en liefde ten onder gaan. Ieder kan een lustmoordenaar van harte de valbijl gunnen, zijn moeder blijft hem tot het laatst liefhebben. De langharige hippies, nietsdoeners, relschoppers en jeugdige onverlaten, die gegoede burgers stuipen, dampen en grijze haren bezorgen, hebben toch ouders, die kopzorg om ze hebben en ze verdedigen door dik en dun.

Eens wandelde ik met mijn hond, een felle hater van kat en rat, langs een dichtbegroeide waterkant. Tussen de warrelige ruigte zat, half in­eengedoken, een bruine bol. Het was een grote rat, een verderfelijke schepsel op aarde. De hond stoof er op af. Maar iets in de houding van de rat deed hem terugdeinzen. Niet lang, even maar. Vreemd en onbegrijpelijk. Met ’n klein sprongetje was ze in het water geweest. Maar het kleine wezen stelde zich teweer en richtte met ontroerende moed de kop omhoog tegen de grote aanvaller. Ze be­schermde met het lichaam iets wat onder haar lag. Later, toen de hond korte metten met haar had gemaakt, bleken het halfvolgroeide jongen geweest te zijn.
Weer rijst de vraag: “Wie legde die opofferende moederliefde in het geringe lichaam van dat verachte schepsel?”

Alle geleerde theorieën geven hierop geen haring of kuit. Men weet er geen antwoord op. Ze zwemmen er omheen of schermen met vage, nietszeggende woorden.
Maar waarom? Is het niet eenvoudiger het voor de hand liggende ant­woord te geven, dat Eén het bekokstoofd heeft? Daar zijn géén vage stellingen over, maar een kloek Boek met het gehele bouwpakket en gebruiksaanwijzing zwart op wit beschreven.
En… het is het beste wat we hebben. Boeiend geschreven, schappelijk prijsje, goed papiertje, keurig bandje. Wat let ons het aan te schaffen en te lezen?

Maar ach, u vindt het misschien dwaas en kinderlijk gepraat. En het wordt óók nog geschreven onder het genot van een pilsje. Nou ja, dan wéét u het wel. Maar… waar kwam eigenlijk het gezegde: “Kinderen en dronken mensen spreken de waarheid” vandaan? Och, laat ik maar ophouden, zo blijf je aan de gang.

Th.G.BAALMAN Baaalman Blog