“Weet jij wel hoeveel huur ik moet betalen”?? roept oma verontwaardigd. “eh nee…oma…! stamel ik. “Wel 500 euro”,

nou dat vind ik erg veel geld en het is helemaal op een hoek en ik moet ‘k weet niet hoe ver lopen om bij de centrale ingang te komen”!

Oma is niet blij. Oma gaat naar een aanleunwoning en oma is…boos. Oma woont nog steeds “zelfstandig”, maar echt een succes is het niet meer.

 

5 jaar geleden hebben “wij”(de familie) een beetje erop aangedrongen dat opa en oma in een aanleunwoning gingen wonen.

Volgens hun was dat totaal niet nodig en konden ze zich prima redden. Wij hebben hun mening natuurlijk gerespecteerd. Tot vorig jaar juni. Toen oma alleen kwam te staan.

Na een huwelijk van 70 jaar, werd oma weduwe.

 

Na wat valpartijen (die gelukkig niet ernstig waren) en wat ‘kookproblemen’ vonden wij dat het nu echt tijd werd om in een aanleuning te gaan.

Oma bromde ons uiteindelijk een Ja toe.

Er werd een makelaar geregeld en oma vond het prima, ze lachte in haar vuistje, wie wil hier wonen. Het kneuterig huisje staat in klein dorp dat  nw-scheemda heet

en het is daar niet echt bruisend te noemen.

Ook moet er veel aan het huisje gebeuren. Oma was er niet echt van overtuigd dat het wel eens verkocht kon worden.

Het kleine arbeiderswoning stond nagenoeg 1 week te koop en is direkt verkocht voor de vraagprijs. Oei…..dit had oma niet verwacht.

In alle haast werd er gezocht naar een geschikte woonruimte.

Vorige week werd mijn oom gebeld, er kwam een appartement vrij in plaatsje Scheemda.

Gelaten hoorde oma het nieuws aan, maar inwendig was ze vreselijk onrustig.

Mijn oom en tante gingen het appartementje bekijken en vonden dit echt iets voor oma.

“Het moet maar doorgaan’, zei ze iets geïrriteerd. De rest van de week werden mijn nichten en ik bestookt met telefoontjes van onze oma. Het zit haar niet lekker.

Na 68 jaar gewoond te hebben op de “Boneschans” temidden in het veld met uitzicht over de landerijen gaat ze haar (hun) woning verlaten.

En daar heeft ze veel verdriet van.

 

Op vrijdagmorgen bezoek ik mijn omaatje. Ze zit voor zich uit te staren. Haar huishoudster biedt mij een kop koffie aan. Samen loop ik met haar naar de keuken.

“Ze heeft het er moeilijk mee”. “Maar ze snapt ook dat het verstandig is om te gaan”, zegt ze. Zuchtend kijk ik door het keukenraam naar buiten, zie daar de seringenboom.

“Kijk”, daaronder hadden wij onze hut altijd”, vertel ik haar. “Tsja..jullie zullen hier ook wel veel herinneringen hebben”. “Heb hier mijn eerste jaren van mijn leven gewoond.

Mijn eerste stapjes zijn hier gezet”. “Ben altijd veel bij mijn opa en oma geweest”.

In de tijd dat mijn broertje ernstig ziek was heb ik hier praktisch gewoond”. “Alstublieft”, je koffie”.

De huishoudster overhandigd mij een dampende bakje troost.

Na de koffie besluit ik om nog even de tuin in te gaan. De bladeren van de bomen worden al een beetje geel. Ik moet me bukken om onder de seringenboom door te komen.

Daarachter ligt een groot grasveld, die vroeger vol stond met aardappelen, prei, koolsoorten, wortels, spinazie en nog veel meer.

Een grote glimlach trekt om mijn mond als ik denk aan het moestuintje die mijn broertje en ik eens gehad hadden.

We waren er na 2 weken al helemaal klaar mee, toen moest opa het maar onderhouden, wij kropen dan snel in onze boomhut onder de seringenboom.

Ook logeren was een feest. We mochten altijd kiezen wat we gingen eten en we kwamen natuurlijk veel later dan normaal op bed en als we dan op bed moesten,

dan schoof opa zijn stoel aan de kant, zodat wij vanuit bed nog heerlijk televisie konden kijken. ‘s Ochtends kregen we dan ontbijt op bed.

Verdrietig kijk ik naar het kleine rode huisje van mijn opa en oma. Hier ligt een hele familiegeschiedenis, die niet alleen mijn oma moet afsluiten,

maar ook wij als kinderen en kleinkinderen. Ook mij doet het pijn om uiteindelijk niet meer het huis van mijn jeugd te bezoeken. Langzaam loop ik het tuinpad af.

Terug naar het heden.