Lullificanten

Degenen, die direct in het woordenboek duikt om de verklaring voor dat woord op te zoeken, moet ik teleurstellen. Het bestaat niet. Het is een woord door mijzelf uitgevonden om de Z-achtigen mee aan te duiden. De zure, zeikerige, zeurderige, zemelende, zanikzakken en “zeiklijsters”(Bargoens voor zeurkousen) Vergeef mij de grove woordkeus, maar dat slag mensen kan ik niet harden. Ik zal u uitleg geven.

De mens is niet alleen. Hij is omringd door, met aan hem verwante schepsels, behept met goede en slechte eigenschappen. Niet allen zijn groot van geest, ruim van opvattingen, met gevoel voor het wáre en diep begrip voor het betrekkelijke van aardse zaken. Daar ik zelf verre van volmaakt ben, leef ik in vrede met hen. Dat móet men wel of anders kluizenaar worden.
Doch met de Z-achtigen kan ik niet leven. Het zijn van die bekrompen, kleinzielige, vitterige typetjes. De “Oh, er stapt een man met vuile voeten in zee!” roepers.
Schetenklievers en mierenneukers, die een goudbalansje als hart hebben en kwistig zout strooien op ieder slakje. Pietepeuterige grutterzielen met een geest zo dor als een muizenkeutel in een Egyptisch koningsgraf. Zij achten hun bekrompen ideetjes van wereldschokkend belang, eisen fanatiek het volmaakte en zouden zelfs niet naar de hemel willen, zonder vooraf folders te vragen bij de goede God. Vaklieden en kunstenaars brengen zij tot wanhoop met hun onmogelijke eisen. Heeft het noodlot hun een order of opdracht toegespeeld van zo’n zuurafscheidende klier, dan wint de man een twijfelachtige geldelijke winst, maar een gegarandeerde portie ergernis en in het ergste geval verliest hij jaren van zijn leven.

Bij tijd en wijle word ik gebeld door een klant, die ook tot dat genre behoort. De man zegt geen zinnig woord, heeft de spreektrant van een bejaarde geit en een vocabulaire van een zesjarig kind.
Hij herhaalt zijn beperkte woordenschat tot in het oneindige. Ook zit hij vol op- en aanmerkingen. Werkelijke klachten zijn het niet, maar het is nu eenmaal een persoon, die in staat is ná zijn dood te komen spoken bij de dierbare nabestaanden, omdat hij klachten heeft over de begrafenis en dat zijn kist niet gerieflijk ligt.
Wat doe je met zo’n urinaal? De Piet Lut is goed voor z’n geld. Ik mis de flair en geduld om hem stijlvol het riet in te sturen, waar hij tevreden zijn kluitje gaat zoeken. Ik word kwaad en kortaf. Ga tegenpruttelen, zijn zinloze argumenten weerleggen en vergeefs beroep doen op zijn redelijkheid (die hij niet bezit) kortom, bouw een ellendig lang telefoongesprek op met Jan Jurk, waar alleen de KPN baat bij heeft.

De man waar ik het reclamevak van leerde, een directeur van een kleine fabriek, die emaillen reclameborden maakte, deed het anders. Hij begon zo’n brok klaagmuur onmiddellijk gelijk te geven. Onverschillig wat de man op zijn lever had en beweerde, hij had gelijk! De man was klant, de klant was koning, de koning betaalde! Maar daar hield het mee op.

In mijn tegenwoordigheid werd door een klant van 100 reclameborden, 40 stuks afgekeurd op minimale foutjes. De borden waren bestemd om 10 mtr hoog aan een muur bevestigd te worden. Die klant, een neepneuzig manneke, was gewapend met een enorme loupe waarmee hij naar onzichtbare vlekjes speurde. Met de loupe voor het oog zich oprichtend, ons zó één groot kalfsoog tonend, wees hij stuk voor stuk de foute exemplaren aan.
“Opzij ermee!” riep de directeur gedecideerd. “Wordt onmiddellijk aan gewerkt”, beloofde hij op slag. “Jan”, dat tegen de magazijnknecht, “Wil jij persoonlijk zorgdragen dat de afgekeurde partij met spoed in orde komt? Met de meeste spoed en 100 %. Begrepen?” “Begrepen, mijnheer”, herhaalde Jan. Hij deed de goedgekeurde borden in een krat, klaar voor verzending. Tevreden vertrok de klant.
“Waar moet ik díe neerzetten, mijnheer?” Vroeg Jan, wijzend op de afgekeurde exemplaren, die terzijde stonden.
“Néérzetten?” was de wedervraag. “Hoe kom je dáárop?”
“Maar…eh…U zei toch tegen die meneer dat …eh…”, hakkelde Jan.
De directeur hakte zijn betoog af en sprak: “Ben je dol? Inpakken! Over 14 dagen názenden!”
Kijk, zó moet het.

Sinds kort heb ik een oplossing voor het contact met zo’n woordenbuil. Ik speel hem door naar een medewerker, die een weergaloos talent heeft in het afwimpelen. Hij bezit een onverwoestbaar flegma en laat zo’n jammerklacht onverstoorbaar aandrammen, moedigt hem zelfs aan met korte kreetjes als: “Oh ja, juist ja, o.k.” Korte kreetjes, die de ander in verrukking brengt en hem de illusie geeft dat er wérkelijk naar hem geluisterd wordt. Ondertussen laat hij het geratel vlot van oor tot oor vloeien en heeft alles in een wip vergeten, zodra hij de hoorn heeft neergelegd.

Het is een keiharde werker, die zich maar één luxe permitteert. Zaterdags blijft hij zeer lang in bed met zijn vrouw. Het speet mij dan ook oprecht om uitgerekend op een zaterdagmorgen een 120 kilometerlange telefoonlijn te moeten doortrekken naar zijn sponde.
Het kon niet anders. Wezenloos georeerd stond ik hulpe- en sprakeloos en had geen verweer tegen de woordenstroom, die een uitermate miezerig exemplaar mij via de schelp in het oor goot.
Mijn compagnon, die net aan een potje “bedvogelen” (Bargoens voor een plezierig sekskarwei) begonnen was, luisterde even, rubriceerde de telefoneerder feilloos als “kwaakeend”, legde de hoorn naast zich op het kussen en… ging door met zijn liefdesspel.
Vaag klonk het gekwetter, als van een boos kaboutertje, opgesloten in een fles, tot hem door. Stopte het geluidje, dan riep hij één van zijn befaamde kreetjes, waarop het stemmetje tevreden voortmurmelde. Zo vocaleerden de man over grote afstand tot aan beider “bevrediging”.

Het was een duur telefoontje voor de Z-achtige. Maar weinigen zullen er zich op kunnen beroemen zo’n exclusief zakelijk contact gehad te hebben.

Th.G.Baalman Baalman Blog