Met de vrijeradicaal Ab ben ik op weg naar een klus voor mijn onderzoeksbureau. Een nudistencamping ergens in de buurt van Bergen aan Zee. Als wij arriveren zie ik aan de deur een kaartje:
“Eenieder wordt verzocht niet zonder handdoek op de tafels te gaan zitten, dit om kringen in het tafelblad te voorkomen.”
‘Mooie tekst,’ bromt Ab. ‘ Je zou eens wat vaker in je blote reet achter de computer moeten kruipen, Paco. ‘Misschien ga je dan ook van die geestige volzinnen schrijven.’

Ik bel aan en een naaktslak die eruit ziet als een vent, geheel gekleed in tennissokken, doet open: ‘Ach, de heren van het onderzoeksbureau, neem ik aan? Voor de inbraak hier?’
‘Jazeker, zeg ik. Bent u de eigenaar?’
‘Neen, helaas. De eigenaar is de heer Riekverdorfen. Die komt voorlopig niet meer. Hij was op vakantie in Afrika. De heer Riekverdorfen had de welgemeende waarschuwing van de lokale sjamaan, dat er ‘beren op de weg waren’ geheel onterecht in een spreekwoordelijke context geplaatst. En nu zit hij met de gebakken peren.
Welnu, de inbraak hier. Eén onzer gasten kwam net uit de sauna toen hij iemand hard zag weg hollen. Uiteraard kon hij hem niet achterna gaan, sommige lieden nemen nu eenmaal aanstoot aan ongeklede personen op de openbare weg. Hij heeft wel een auto zien wegracen. Zo’n duur geval met een tennisbal op de trekhaak.’
‘Kunnen wij die getuige spreken?’ vraag ik .
‘Maar natuurlijk, het gaat om de plaatselijke drogist. Hij zat overigens in de sauna met de pastoor. Om hem bij te praten over de condoomverkoop.’

Ab kijkt hem aan:’condoomverkoop??’
‘Tja, dat zal ik u uitleggen, sinds onze huisarts al zijn SOA-patiënten met een spuitbus verf vereeuwigde op de zijmuur van de kerk, heeft zelfs meneer pastoor het licht gezien betreffende de heilzame werking van condooms.
‘Wat is er eigenlijk gestolen?,’vraag ik.
‘Een schilderij,’ zegt hij. ‘Kijk,’ en hij wijst naar de vloer bij de muur,’daar ligt het spijkertje nog.’
Ab raapt het spijkertje op: ‘Ik mag aannemen dat de waarde van het schilderij een stuk hoger is dan de draagkracht van het spijkertje waaraan het opgehangen was?’
‘Dat is correct,’ zegt de naaktslak.


Wij spreken af dat wij de zaak gaan onderzoeken en op weg naar de drogist denk ik aan mannen met tennisballen op trekhaken. Dat irriteert mij. Vraag mij niet waarom. Ik kan gewoon niet tegen de aanblik van tennisballen op een trekhaak. Hetzelfde heb ik met hoesjes om een schaar. Of een plastic mapje om je pinkaart. Dan vraag ik mij altijd af wat voor mensen dat zijn die dat doen. Het lijken mij mensen die, voordat ze de liefde gaan bedrijven eerst de broek keurig opgevouwen aan een knaapje hangen alvorens de roede in het beoogde doel te plaatsen.

Voor ons rijdt zo’n wagen met een tennisbal op de trekhaak. Als we hem passeren zie ik een schilderij op de achterbank. Zo simpel zal het toch niet zijn?