De examens in het voortgezet onderwijs zijn weer klaar. Menig examenkandidaat viert nu vakantie, zorgeloos of wellicht een beetje ongerust. Stress bij de docenten. Die moeten de examens nakijken. Alles binnen een korte tijd.

De examenscores, per vraag, worden door het Cito verzameld. Dat is op zich logisch omdat al die scores een landelijk beeld geven over hoe het examen is gemaakt. Wellicht was het op een aantal punten te moeilijk en moet de norm, de punten die een leerling in totaal kan krijgen, worden aangepast.

Er gebeurt echter nog meer met die gegevens. Per school wordt de score ten opzichte van het landelijk gemiddelde weergegeven. Sterker nog, per docent wordt gekeken naar de afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Er zijn vast scholen die een docent die onder dat gemiddelde scoort ter verantwoording roepen. Of ze bij een score ver boven het gemiddelde een schouderklopje krijgen is de vraag.

In de slag om de leerling koketteren veel scholen met goede examenresultaten en een hoog slagingspercentage. Ze presenteren zich daarmee als een goede school, met een gedegen lesprogramma en goede docenten die goed lesgeven. De resultaten zijn er naar kunnen ze zeggen als ze de benchmark van de afgelopen jaren over de examenresultaten presenteren. Zodra ze dat angstvallig niet doen komen ze met die benchmark waarschijnlijk niet al te best naar voren.

Wat meet het Cito eigenlijk met de afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddelde? Is dit echt een terechte indicatie voor het functioneren van de docent in kwestie?

De belangrijkste factor bij de examenscore is niemand meer of minder dan de leerling zelf. De huidige maatschappij vindt het nog steeds een goed idee om kinderen door een schoolsysteem te persen. Als onderdeel daarvan toetsen we middenin het puberale stadium van hun ontwikkeling als mens of de hersenen voldoende kennis hebben opgenomen. Het examenresultaat is afhankelijk van het functioneren van die hersenen op dat moment. Kunnen ze net even die concentratie opbrengen, dan heb je een grotere kans op een goed resultaat. Zijn ze al een poosje in de war, bij veel pubers is dat niet uit te sluiten, dan zal het resultaat er ook wel naar zijn. Niemand kan dit beïnvloeden, zelfs de leerling in kwestie niet. Hier een meting op loslaten is nog moeilijker.

De kwaliteit van het examen heeft ook invloed op de score. Het Cito meet eerst de resultaten en komt daarna pas met een correctie op de norm. Is een examen landelijk gezien erg slecht gemaakt dan vijzelt het Cito met de norm de resultaten wat omhoog. Fijn voor de leerlingen die laag scoorden. Het Cito verbloemt hiermee echter het feit dat de kwaliteit van het examen kennelijk matig was. De scores die eerder door Cito zijn verzameld worden echter niet aangepast. Dat maakt het interpreteren van de gepubliceerde meetgegevens dubieus.

Het schoolklimaat zelf is ook een factor die niet vergeten mag worden. De school moet een omgeving scheppen waarbinnen een docent als professional maximaal kan presteren. De omvang van de klassen bijvoorbeeld is van invloed op de kwaliteit van de lessen. Het gedrag van leerlingen kan een schoolleiding positief beïnvloeden door niet alles te accepteren en te tolereren omwille van het aantal leerlingen. Ongewenst gedrag benoemen en aanpakken draagt bij aan een goed werkklimaat. Kinderen met een sociale stoornis verdienen een kans. Geeft de schoolleiding ze alleen een plek op school binnen duidelijke kader geeft dat duidelijkheid en zorgt voor rust in de klassen. De docent moet hiermee niet bezig zijn. De docent kan de keuzes niet maken en heeft maar heel beperkt invloed op de situatie.

Het Cito stelt gegevens beschikbaar over de examenresultaten aan de school. De school oordeelt hiermee over het functioneren van de docent. Als je echter alle factoren die van invloed zijn op die gepubliceerde examenresultaten beschouwd moge duidelijk zijn dat de docent slecht marginaal invloed heeft op die resultaten. Het is een mythe dat het landelijk gemiddelde ook maar enig houvast biedt voor een uitspraak over wel of niet functioneren.

De scholen doen er verstandig aan na te denken over wat een docent goed maakt, wat een school goed maakt en wat de succesfactoren zijn. Een verstandige school doet dat vooraf en werkt daar voortdurend aan. Met visie en passie. Dat verkoopt de school pas goed. De cijfertjes van het Cito zeggen niet zoveel.