Liefste schat, dierbaarste vrouw: Als u dezen brief ontvangt zal ik weg van u zijn; zodat het enige antwoord dat u mij kan geven uw onveranderlijke liefde kan zijn. Ik schrijf dit alleen in het kantoor, waar ik zit te denken aan u en de kleinen. Ik vraag mij af hoe oud en hoe groot zij zullen zijn als u deze brief krijgt. Zeer oud, hoop ik maar.

Dit is mijn laatste minnebrief. Herinnert u de eerste nog? Hoe vreemd was het om die toen te schrijven, en hoe gelukkig was ik! Ik had u zo nodig! En weet u nog wat het antwoord was? Ik zal het nooit vergeten. U kunt het vinden bij de andere papieren.

Nu schrijf ik u mijn laatste, en ik ben gelukkig; want ik heb zelf geen flauw idee dat u deze spoedig zult lezen. Met mijn eerste brief zond ik u bloemen. Hierbij zend ik de hypotheek van ons huis. Deze is geheel afbetaald, en nu is het huisje van u om ervan te genieten. Ook is er wat geld belegd in de bank, wat ik door de jaren heen bespaard heb. Nu is het voor u — voor u en de kinderen — en nu zult u, als u uw leven goed bestuurt, de noodzakelijkheden van het leven niet hoeven te missen.

U zult zich vast nog wel herinneren dat wij bij ons huwelijk een verbond hebben gesloten dat wij eerlijk en trouw aan elkaar zouden zijn en ook aan God, en dat wij voortdurend zouden trachten Zijn geboden te onderhouden. Ik weet zeker dat u uw belofte bent nagekomen. Door ziekte en zorg en tegenspoed hebben wij geworsteld, geleden en gezwoegd, maar God is met Zijn gunsten en gaven vriendelijk en goed voor ons geweest. Ja, het is de moeite waard om de geboden van God te onderhouden. U zult hierbij ook mijn tiende briefjes vinden die ik aan onze bisschop heb betaald. Ik ben gelukkig door de gedachte dat ik de Heer niet bestolen heb. Ik heb geloofd in de belofte die Hij gemaakt heeft zeggende: “Breng alle tienden naar mijn voorraadkamer, zodat er voedsel in mijn tempel is, en zie dan of ik niet de sluizen van de hemel voor jullie open en zegen in overvloed op jullie laat neerdalen. ” (Zie Maleachi 3:10.)

Ik heb het er soms moeilijk mee gehad om in tijden van nood toch mijn tienden te betalen, terwijl wij het gevoel hadden dat wij dat geld juist voor andere noodzakelijke doelen nodig hadden. Maar voor die gedachte was ik bang want zowel mijn liefde voor u als ook voor mijn hemelse Vader kon ik niet anders dan die tienden betalen want God vertelde mij: “Wees eerlijk. Het is Mijn gebod” en nu ben ik blij dat ik gehoorzaamde. Ons kleine huisje is bewaard en tevens volledig afbetaald. Ook is er genoeg geld in de bank voor uw behoeften. De sluizen van de hemel zijn werkelijk geopend en een overvloedige zegen is over u uitgestort. Deze zegen heeft zelfs de hemel bereikt, want wij zullen ook daar een huis hebben in het koninkrijk van onzen hemelse Vader. Moge God U zegenen en behoeden met de kleinen. Tot wederzien aan de andere kant van de sluier.

PS. Als u soms door een onbekende reden dezen brief spoediger zou lezen dan ik had verwacht, leer in dat geval de kinderen om trouw te zijn in het onderhouden van Gods geboden en eerlijk te zijn in het betalen van hun tiende en vastengaven. Ja, ik wens dat hun namen met de Uwe en de mijne opgetekend zullen zijn in “Het Boek des Levens.” Het is de enige weg naar eeuwig geluk en het Eeuwige leven in het Celestiale Koninkrijk van God. Daar wens ik u allen weer te ontmoeten. (J. Lillywhite Ster 1 december 1926, blz. C10-11/S362-363.)