Nader beschouwd heeft het woord ‘oeps’ geen enkele betekenis. Tenzij je de uitleg van de Dikke van Dale hierover moet geloven: ‘een uitroep van lichte schrik.’
Te pas en te onpas hoor je dat woord. Vooral bij de dertigers en veertigers, kortweg, de alles-moet-kunnen-generatie, is het razend populair. Deze alles-moet-kunnen generatie, cynisch tot op het bot en totaal niet gehinderd door welk gevoel van mededogen dan ook, heeft het woord ‘oeps’ bij elke ramp paraat.
Voorbeeld? Een orkaan veroorzaakt tienduizend doden! Oeps!
Teller volkerenmoord op zeshonderdduizend! Oeps!

Als je aan leden van de alles-moet-kunnen generatie vraagt wat mededogen betekent kijken ze je glazig aan. Of je krijgt antwoorden als: ‘is dat niet iets van de gemeente? Zoiets als in “vroeg of laat gaan wij, gelet op ons gedoogbeleid, het roken in een kroeg mede dogen.”
Iemand in een kroeg die achterover van zijn kruk valt door een hartstilstand kan als enige reactie dan ook rekenen op dat ene meedogenloze woordje ,oeps’!
Een uitroep van lichte schrik, zoals Van Dale het zo geestig omschrijft. Iemand valt dood van zijn kruk: Oeps!

Op tv zag ik een verslaggever in een kroeg zijn best doen in te breken in het ritueel comazuipen en coma-snuiven van een zestal dertigers om hen een klein interview af te nemen. Dat lukte, tegen betaling van twee lijntjes. De vraag was: wat is jullie reactie op de wereldwijde kredietcrisis? En op het overeind houden van Griekenland? De oordopjes van de iPod nog in hun oor bengelend keken de zes dertigers elkaar verveeld aan. De uitroep van lichte schrik in zesvoud was, ondanks de stadionsterke kroegmuziek, duidelijk zichbaar: Oeps!