Nog niet zo lang geleden hing hier een tekening van Ludo Sanders aan de muur. Met priemende blik keek hij je aan wanneer je aan de eettafel je boterhammen zat te smeren. Onderschrift:

Soms heb ik van die dagen
Dan zijn mijn zorgen groot
Maar als Ludo naar me kijkt
Smeer ik toch boter op mijn brood

Het betrof een werk van mijn hand en ik betreur het dan ook dat van het portret inmiddels geen spoor meer te bekennen is. Ludo’s stille doch duidelijk voelbare aanwezigheid heeft me er vorige zomer op moeilijke momenten vaak genoeg toe gebracht alsnog een goed belegde boterham klaar te maken en weg te werken. Hij werd overigens vergezeld door foto’s van onder meer Hans Klok met zijn wapperende haren, in staat al je problemen in een glitterende rookwolk te doen verdwijnen (Zo heb je issues… En zó heb je ze niet); John Williams met een drilboor, eeuwig bereid je daadkrachtig bij te staan in lastige periodes (JOHN HELPT); en Robert ten Brink met hartjesconfetti, altijd een baken van liefde en begrip (Robert houdt van je – altijd). In de loop van mijn verblijf had ik de muren langzaamaan volgeplakt met deze steunbetuigingen. Dat de heren zich nu, ruim een jaar later, niet meer in deze ruimte zouden bevinden, had ik ergens wel voorzien. Dat ikzelf hier daarentegen nu wél weer zou zitten – nee, dat was verwacht noch gepland.

Ik moest dus even slikken toen ik een maand geleden opnieuw met mijn roze reiskoffertje deze eetstoorniskliniek binnenrolde. Als recidivist wist ik wat me te wachten stond: de mindfulnessoefeningen waarbij ik er ondanks fanatieke pogingen niet in zou slagen met vriendelijke aandacht naar mijn linker grote teen te gaan; de boekwerken aan verplicht in te vullen eetregistraties; de discussies over normale hoeveelheden broodbeleg… Een aantrekkelijk uitzicht was het niet te noemen, maar ik was dusdanig moe en opgebrand dat ik ook geen betere opties wist te bedenken.

Die vermoeidheid is er inmiddels nog niet veel minder op geworden en ik zie in dat wanneer ik over een week of vier met mijn koffertje weer huiswaarts keer, ik nog steeds een lange weg te gaan zal hebben. Toch zijn de eerste stappen al gezet. Ik voel me niet meer zo schuldig bij elke hap die ik neem. Ik snijd mijn boterham niet meer in 20 kleine stukjes. Ik kies niet meer alleen voor light producten, maar wissel de sandwichspread regelmatig af met -doe eens gek- kaas. Of pindakaas, als ik in een écht flexibele bui ben. In dat kader spreek ik graag van Anoflexia. Graag smeer ik binnenkort spontaan een boterham met speculoos, zodat ik ook de term Anoflexia Speculosa kan introduceren. (Zou Anobrexia overigens geen prachtige benaming zijn voor een Britse Anorect die graag uit de Europese Unie wil?) Van Anorect naar Anoflex – geen geringe ontwikkeling. En dat zonder de surveillance en steun van intimiderende soapsterren en bevlogen BN’ers. Misschien toch best een hoopvol teken.

https://embarblogt.wordpress.com/

Over Boterhammen en Beter Worden
Stem op deze column!