Afgelopen maandag. Terwijl ik aan het werk ben, voel ik de verkenners op kousenvoeten dichterbij komen. Nog ver weg. Ik gooi de mentale deur dicht. Niet aan denken nog. Voor hetzelfde geldt is er niets aan de hand en roep ik juist iets op. Ik gaap, ben sacherijnig en moe. Ik wil naar huis. Om 17:00 vlucht ik weg.

Dinsdag ben ik vrij. De voortekenen worden duidelijker. Ritmisch gestamp. De pelotons komen dichterbij.  Ik heb geen tijd voor deze onzin, ik moet boodschappen doen, de kinderen naar school brengen. Moeizaam doe ik wat ik moet doen. Snauw tegen de kinderen. Ophouden nu! Ze verdienen beter. Veel beter. Gelukkig, mijn moeder komt. Afleiding. Toch nog een leuke dag. S’avonds voel ik ze nog dichterbij komen. Bah! Geen zin, geen tijd. Mijn lief zegt “neem dan preventieve maatregelen!” maar dat kan niet. Tegen een orkaan kun je ook geen preventieve maatregelen nemen, alleen de voortekenen tijdig herkennen, de luiken sluiten en wachten tot het voorbij is. Ik sluit mijn luiken en wacht af.

Midden in de nacht verandert willen in moeten. De strijdtroepen zijn gearriveerd. De infanterie doet een omtrekkende beweging richting hersenstam. Preparing for war!. De pelotons marcheren langs via mijn ruggengraat omhoog. Cerebrum, cerebellum, frontale kwab, alles nemen ze mee op hun pad der verwoesting. Waar is het toilet gebleven? Die was altijd zo’n vijf meter van mijn bed verwijderd, maar bevind zich opeens drie kilometer heuvelopwaarts. Ik bereik hem op tijd, vertrouw hem mijn ingewanden toe en strompel terug.

De volgende morgen bel ik mijn werk en duik diep onder mijn dekbed. Het Rode Gevaar voelt wat er aan de hand is en nestelt zich spinnend tegen me aan. Zijn tanden zinken in mijn linkerhand. Het feit dat hij nog wat vlees op mijn botten overlaat, geeft aan dat hij met me meevoelt. Normaliter was mijn hand al tot het bot kaalgevreten. Tevreden knaagt hij op mijn wijsvinger.

ondertussen voert de infanterie een verbeten strijd. Soldatenlaarzen rennen uit de pas van linkerslaap naar rechterslaap. Rupsbanden denderen over mijn hoofd. Van tijd tot tijd onderneem ik de inspannende tocht drie kilometer heuvelopwaarts om mijn ballast prijs te geven aan het porselein. Na één van mijn tochten vergeet ik de kamerdeur dicht te doen. De infanterie reageert fel op het geluid van de centrifugerende wasmachine. De artillerie  lost  waarschuwingsschoten. Au!

Later in de middag trekken de pelotons zich terug. Langzaam keren mijn zintuiglijke waarnemingen terug naar normale waarden. Het toilet is weer terug op zijn normale plaats, vijf meter van mijn bed. Ik kan weer enigszins opstaan zonder bonkende slapen.

Praktisch mijn hele leven is woedt er geregeld oorlog in mijn hoofd. Het wordt tijd voor een langdurig vredesakkoord. Osteoporose, opvliegers, dalende oestrogeenwaarden.. het kan me allemaal niet boeien. Kom maar op met die overgang!