Tegenwoordig is er in het basisonderwijs een ontwikkeling gaande die positief genoemd mag worden maar haar doel voorbij lijkt te schieten. In de tijd dat ik op de basisschool zat (langer geleden dan mij lief is) was elke leerling gelijk. Althans: er werd een gemiddelde aangehouden en wie daar boven of beneden zat kreeg nauwelijks meer of minder aandacht dan de gemiddelde leerling. Bij hoogste uitzondering mocht ik het schrijf- en leesboekje van de volgende klas al doorwerken, dat herinner ik me nog goed. Wat een eer!

Op vandaag wordt van de leraren verwacht dat ze de ‘groep’ (het woord ‘klas’ is inmiddels hopeloos ouderwets) op drie niveaus aanspreken: de leerlingen die het tempo niet bij kunnen houden dienen ander lesmateriaal aangeboden te krijgen dan de leerlingen die het gemiddelde tempo weten bij te benen, en de leerlingen die sneller kunnen werken horen dan ook weer ander, bij voorkeur compacter materiaal aangeboden te krijgen. Zowel voor rekenen als voor taal als voor lezen als voor spelling als voor aardrijkskunde als voor geschiedenis als voor biologie. Pfoeh. Ga er maar aan staan: lesvoorbereidingen maken voor lessen die op deze manier opgebouwd dienen te zijn. En het corrigeren van de werkboekjes, een tijdverslindende maar belangrijke bezigheid, wordt daardoor ook verdriedubbeld.

Leerlingen lesstof aanbieden op persoonlijk niveau. Een prachtige gedachte, elk kind dat  te kunnen bieden wat aan de persoonlijke capaciteiten voldoet. Maar in de praktijk zie ik leerkrachten met het zweet op hun voorhoofd lange dagen maken, in de hoop aan alle wensen te kunnen voldoen. Met de beste wil van de wereld kunnen ze de dagen niet langer maken dan de 24 uur die ze nou eenmaal zijn en dus wordt het weekend regelmatig opgeofferd om de voorbereidingen tot in de puntjes voor elkaar te krijgen.

Een klaagzang? Nee. Wel een beschrijving van de praktijk. Als deze mensen niet zoveel hart voor de leerlingen hadden, zouden ze het bijltje er al lang bij neergelegd hebben. Ze ploeteren verder, in de hoop leerlingen naar het middelbare onderwijs te kunnen laten doorstromen die blaken van zelfvertrouwen, wetend dat zij op hun eigen persoonlijke niveau goed kunnen presteren.

Helaas volgt dan weldra de teleurstelling, als aan de poort van de middelbare school al geroepen wordt dat er weinig tot geen ruimte is voor de persoonlijke aanpak waaraan de leerlingen en hun ouders zo gewend waren geraakt. Op de gemiddelde middelbare school regeert de middenmoot. De zesjescultuur waar Nederland zo onder schijnt te lijden (getuige de berichtgeving in de actuele pers) wordt op de middelbare scholen gecultiveerd. Gymnasia die bij de kennismaking roepen dat een gemiddelde 8 het streven is, blijken in de praktijk niet in staat leerlingen die in de eerste twee semesters 29 tienen weten te scoren, een individueel uitdagend programma aan te bieden. Ik bedoel maar.

Dus wat is er nou precies zoveel verbeterd sinds we basisschoolleerlingen op drie niveaus zijn gaan benaderen? We kweken een cultuur waarin zowel leerlingen als ouders gewend raken aan (of eigenlijk zelfs ‘verwend’ raken door) de persoonlijke aanpak van de leerling. Des te harder komt de werkelijkheid dan aan, als blijkt dat deze cultuur niet voortgezet wordt in het voortgezet onderwijs. Wat is wijsheid?

Mijn bassisschooltijd herinner ik mij als een tijd waarin mijn leerkrachten ook buiten de lesstof aandacht voor mij hadden. Waarin ze het goed in de gaten hadden als ik niet lekker in mijn vel zat, en er tijd en ruimte was voor een goed gesprek. Nu zie ik hoe leerkrachten vechten tegen de klok, niet weten waar ze het eerst moeten kijken en moe zijn van alles wat er van hen geëist wordt. Als dat wijsheid is, dan weet ik het ook niet meer.