Ik was een jaar of acht, en ik woonde met mijn ouders in een reusachtig flatgebouw. Mijn vader was er nooit zo happig op om mij buiten te laten, het liefst had hij mij buiten het bereik van vriendjes en vriendinnetjes in huis, veilig en wel in mijn kamer. Vanaf mijn tweede levensjaar verhief ik het ontsnappen echter tot een hogere kunstvorm, wat mij een hangslot op mijn raam opleverde. Desalniettemin lukte het me vaak genoeg om toch naar buiten te glippen als hij na al te overvloedig alcoholgebruik het bed hield.

Ik was een vreemd kind. Veelal in mijn eentje bombardeerde ik de omgeving rond de flat tot mijn speeltuin en zwierf ik rond. Ik liep altijd met mijn hoofd naar beneden. Niet omdat het leed van de wereld op mij drukte (al was dat misschien wel een beetje zo), maar omdat ik altijd aan het speuren was naar schatten die zich wellicht voor mijn voeten zouden manifesteren. Dat kon van alles zijn, achtergelaten, verloren of weggegooide troep, knopen, bouwmateriaal, lege verpakkingen, noem maar op. Ooit vond ik op een grasveld een paar vreemde voorwerpen: een soort stokken met streepjes erop en een zak eraan. Ondanks de vreemde lucht die ze verspreidden kwalificeerde ik ze als potentiële schatten. Wist ik veel. Mijn moeder kreeg zowat een rolberoerte toen ik er één mee naar huis nam, het bleken gebruikte en weggegooide katheterzakken te zijn.

Mijn strooptochten leverden het meest op als ik zocht op ongebruikelijke plaatsen, plekken waar weinig mensen kwamen zodat nog niet gevonden bezittingen in spé geduldig bleven wachten op mijn komst. En zo vond ik op een dag mijn grootste schat: een wervelkolom met ribben eraan. Even was ik heel bang dat het van een mens was, maar toen al schuilde er een forensisch antropoloog in me waardoor ik al snel zag dat de ribben te recht en te groot waren om aan een mens toe te behoren. Waarschijnlijk waren de ontzielde resten van een schaap of iets dergelijks. Aan de kale botten kleefden nog wat vleesresten.

Deze onsmakelijke schat lag achter een bosje, op een plek waar nooit een levende ziel kwam. Het ding joeg me doodsangst aan, maar desalniettemin was ik gefascineerd. Huiverend en op veilige afstand bestudeerde ik de botten. Hoe kwam dat daar?
Waarschijnlijk was het arme rund het slachtoffer van een illegale slacht. Tenslotte waren dit de jaren zeventig, waren er in die tijd veel gastarbeiders in Nederland en waren Islamitische slachterijen net zo zeldzaam als een Ipad. Maar ik wist toen niet eens wat moslims waren. Misschien wist ik ook niet wat gastarbeiders waren. Wel wist ik dat de ontzielde resten hadden behoord tot een beest dat naar alle waarschijnlijkheid ooit in een wei had gestaan.

De angst won het van de fascinatie en ik rende naar huis, voortdurend achterom kijkend of ik niet achtervolgd werd door een half schaap. Tja, ik zei het al: ik was een beetje een vreemd en luguber kind. (Gelukkig is daar tegenwoordig niets meer van te merken).

Naarmate de tijd vorderde en het ding vrolijk bleef liggen stinken, raakte ik steeds banger voor de botten. Ik vond een oud kleed en gooide die er van veilige afstand overheen, zodat het residu in ieder geval bedekt was. Maar de angst bleef. Nauwlettend hield ik de Plaats Delict in de gaten. Stel je voor dat het schaap zou herrijzen, je weet maar nooit. Gek genoeg gebeurde dat nooit.
Wat wel gebeurde, was dat de gemeente op een goede dag een grote schoonmaakactie hield. De bosjes werden uitgepluisd op afval, oude condooms, injectienaalden, catheters en vergeten ribbenkasten. Weg was het lijk. Ik haalde opgelucht adem.

Die nacht sliep ik voor het eerst in weken als een roos.