Snoepje

Ouderdom komt met gebreken. Een waarheid als een koe. Het lenige energieke corpus dat ons moeiteloos door de wilde jaren droeg, verwordt door de tand des tijds tot een buikig magazijn vol kwaaltjes of wandelende zak botten met stroef scharnierende gewrichten. Alle manco’s opsommen waar HH Medici tongbrekende namen voor hebben verzonnen en farmaceutische industrie zoete winst uit slaat, is niet te doen. Als ouder wordend man beperk ik mij tot één van het assortiment dat ik in mijn gestalte mee tors: “dorst!”
Geen gewone dorst, die soms op de dag aan komt zeuren, maar verschroeiende dorst in de kleine uurtjes, die mond en keelholte verandert tot een konijnenhol in de Sahara, bekleed met schuurpapier, waarin de tong als een leren lap op en neer kleppert.
“O, dat is normaal”, zegt de dokter leukjes als ik haar de euvel beken, “Hoort bij het ouder worden. Stop maar een zuurtje in de mond. Dat helpt”
Aardig adviesje. Maar zij kent een intiem huiselijke probleem niet waar ik in de nachtelijke uren óók mee tob. Mijn vrouw!
Een beminnelijk wezen. In verticale toestand zéér zachtmoedig van aard, maar die, als zij horizontaal in slaap gestrekt is, het humeur krijgt van een ratelslang. Zij reageert op slaapverstoring met de grauwende agressie van een grizzlybeer, die uit zijn winterslaap gepord wordt. Daar komt bij dat zij een muizengehoor heeft en de houtworm in de balklaag hoort knagen.
Dokters’ luchtig advies laadde een loodzwaar probleem op mijn gebogen schouders. Ontwaak ik in de nacht met een smaak in de mond of ik lepels woestijnzand heb geconsumeerd, dan lig ik zorgelijk dubbend met gesloten ogen de binnenzijde van mijn oogleden te bestuderen en overpeins mijn toestand. In de lade van het nachtkastje bevindt zich ’n zakje “Pastilles met citroensmaak”, wemelend van de vitamine C, met mild mededogen voor mijn zwellend buikje, óók nog suikervrij. Verstrekt door ene mijnheer Vicks, een mensenvriend van het zuiverste water, begaan met door droge mond en keelholtes geteisterde mensen. Met zijn producten verlost hij van dat ongemak en geeft hen, die door heesheid zijn besprongen, het loeiend stemgeluid van een misthoorn. Persoonlijk zou ik de nobele borst voor willen dragen voor de Nobelprijs, ware het niet dat zijn pastilles, in dat kastje opgetast, mij in nare situaties stort.

De fabrikant blijkt een sadist in dienst te hebben, die duivels behagen heeft de verfrissende lekkernijen onbereikbaar te verpakken. De ellendeling heeft een emballage bedacht, sterk als plaatstaal, alleen met een nijptang te verwijderen.
Ik tast in het duister en mijn grabbelende vingers vinden; de Zak! De storm en aardbeving bestendige verpakking van de citroenversnaperingen. Het onbehoorlijk krakend omhulsel beantwoordt mijn voorzichtige aanraking met enthousiast geknisper. Hierop beweegt mijn wederhelft onheilspellend. Ik verstar. Als zij tot rust gekomen is, hernieuw ik mijn poging en lift de zak uit het laatje. Heb ik geluk een reeds geforceerd exemplaar op te vissen, dan is het probleem voor 50% opgelost. Maar is ze maagdelijk onberoerd, dan begint de ellende. Zij is voorshands nutteloos en niet bereid medewerking te verlenen om geopend te worden. Het zakje ontbeert een lipje of ritslijntje waardoor het makkelijk ontsloten kan worden. Zo wordt openmaken een enerverende bezigheid, een nachtelijke puzzel waarbij het aan de inventiviteit van de consument wordt overgelaten hóe het kreng te bewegen haar inhoud af te staan, met hand en tand, schaar of blikopener. Daar ik die voorwerpen niet tot redding kan mobiliseren, ruk en trek ik verbeten in het donker aan de zak en ontlok er een geluid aan alsof buiten in de nachtelijke stilte een reuzenhand een koekblik in elkaar frommelt. Mijn krachtpatserijen met de weerbarstige buil, doet mijn slapende eega geïrriteerd schuifelen op haar sponde.
Tenslotte slaag ik er in een eveneens onverwoestbaar verpakt zuurtje te bemachtigen en poog die van haar jasje te ontdoen. Het lukt niet! Aan beide zijden is het dichtgelast en weerstaat manmoedig mijn poging haar door aanranding te overweldigen. Ik staak vermoeid het gefrutsel en ga met weemoed denken aan de toffies uit mijn jeugd. Die waren verpakt in een glad papiertje, de uiteinden gedraaid. Eén naar links, één naar rechts. Door simpel aan de uiteinden te trekken, ging het snoepje spontaan roteren en ontkleedde zich na een korte striptease vlot waarop de versnapering in de mond geplaatst kon worden. Maar de moderne tijd vereist kennelijk meer inzet. Ik besluit grof geweld te gebruiken en zet de tanden als een pitbull in het snoepgoed. Vaag hoor ik aan mijn oor een besmuikt gelach. Het is de geest van de duivelse ontwerper die, sardonisch grijnzend in het duister op mijn gefrunnik neerkijkt. Hij alleen wéét dat mijn lijden nog niet ten einde is.

Het door mijn tanden geperforeerd omhulsel begint een kleverige substantie af te scheiden en besluit in kleine stukjes te breken. Ik worstel in het donker wanhopig door en tracht de segmentjes van het zuurtje te peuteren. Het resultaat is dat mijn vingers aanvoelen of ze met tweecomponentenlijm aan elkaar gekit zijn. Ik veeg de kleverige smurrie en stukjes aan het laken en stop eindelijk het snoepje in de mond, waar het als beloning voor mijn getob een verfrissend miniatuurwatervalletje door de dorstige mondholte spoelt.

Ik sluit de ogen en ga dromen van een toekomstige hemel waarin ik van al mijn smart en moeite mag uitrusten. Daar zullen lieftallige engeltjes klaarstaan om bij de eerste oproep toe te snellen om de dorstige verrukkelijke vruchtensappen in de mond te sproeien. Tevreden sabbelend dommel ik in. Een gelukkig man met een toekomst.

Th.G.Baalman Baalman Blog