Er zit een lekker stukje in mijn hoofd. Het hoeft alleen nog maar te worden opgeschreven, pardon, in de klapdoos te worden getikt. Tijdens het hameren op de toetsen zit ik te multitasken. Een ander woord voor lummelen en googelen met de internetbrowser. In de tijd dat het stukje al lang en breed klaar had kunnen zijn, voeden mijn hersencellen zich met al het kleurigs dat aan mijn beeld voorbijtrekt.

Ergens onderin de computerkast bungelt een blauw lusje naar buiten, het oogt wat slordig. Wanneer ik er een ruk aan geef, flikkert het complete potlodenkabinet van tienerelf uit het blauwe etuitje, dat aan het blauwe lusje blijkt vast te zitten. Boos mompelend ruim ik het geslepen tekenspul op en vis daarbij tegelijkertijd een nonchalant ogende USB-kabel vanachter de printer vandaan. In een poging de kabel netjes op te rollen, blijft deze hangen achter de perforator, die al jaren op de onderste plank van de computerkast woont. Anderhalve seconde later is de vloer bezaaid met een halve kilo opgespaarde snipperconfetti.

Geërgerd sta ik op en ga op jacht naar de kruimeldief. Even later is de confetti tot kleine proporties teruggebracht. Boven hoor ik de wasdroger mijn naam loeien. Het apparaat had een halfuur geleden al leeggehaald moeten worden. Wil ik de was nog strijkvrij kunnen opvouwen, moet ik gehoor geven aan de lokroep van mijn droogmachine. Onrustig ren ik de trap op, het schrijfstukje hangt nog in mijn linkerhersenhelft en moet eigenlijk direct worden opgeschreven. Moedertaken gaan echter voor.

Eenmaal boven in de badkamer aangekomen trek ik de deur van de droger open om aan een halfenthousiaste vouwpoging te beginnen. Onaangenaam verrast constateer ik dat de was nauwelijks droog te noemen is. Het rode lampje boven het aan/uit knopje verraadt, dat de pluizenzeef vol is. Ongeduldig vis ik het zeefje uit de droger vandaan en kieper het leeg in de prullenbak. Enigzins getergd zet ik de droger opnieuw aan. Mijn volgende project, de volgende was, moet nog even wachten.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat er nog schoon wasgoed ligt van vanochtend, dat eigenlijk in de kast moet worden opgeborgen. Verveeld sleep ik het wasgoed samen met mezelf naar de slaapkamer. Tussen de deur van de kledingkast bungelt een streepje wollen trui. Zuchtend besluit ik eerst de kast maar opnieuw in te delen. Kleding die ik niet meer draag besluit ik resoluut uit de kast te verwijderen. Wanneer de vloer in de slaapkamer een kwartier later is ondergesneeuwd met kleding uit het jaar kruik, rinkelt ergens in huis de telefoon. Natuurlijk staat dat ding niet op de lader in de slaapkamer. Woest stuif ik naar beneden. Te laat natuurlijk, de ongeduldige beller heeft alweer opgehangen. Onbekend nummer.

Terwijl ik de telefoon beneden weer netjes in de lader terug bonjour, valt me iets op. Irritant, de computerkastdeuren staan nog steeds open. Verdorie, ik houd niet van open kasten. Op die manier is de rotzooi in die kast voor iedereen zichtbaar. Wanneer ik de deurtjes wil sluiten, worden die geblokkeerd door een dikke grijze kabel.

Tot het uiterste getergd koppel ik alle draden in de computerkast los die ik kan vinden, sluit de klapdoos en de kast vervolgens af en ga mokkend op de bank zitten.
Het léuke stukje houdt u tegoed.