Op weg naar de brievenbus kwam ik een dorpsgenote tegen. Nog voordat ik mijn mond open deed, zette zij haar kleuterjufgezicht al op en toen ik inderdaad een beetje naar woorden moest zoeken om haar ‘beleefd informeren’ naar mijn kinderen te beantwoorden, knikte ze mij met een moederlijke glimlach, geduldig en aanmoedigend toe. Ze zei nog net geen “koetchie koetchie” of aaide over mijn wangetjes. 

Gedesillusioneerd liep ik weer naar huis. Ik had me altijd voorgesteld dat ik na tien jaar Frankrijk accentloos met de autochtonen mee zou ratelen, schouderophalend ‘bof’ mompelen of meelevend ‘mince.’ Bij het weggaan zou ik mijn hand opsteken en vlot ‘allez ciao!’ roepen. Ik zou verder lopen naar een volgende conversatie bij een partijtje pétanque en geen enkele twijfel hebben dat mijn verhaal begrepen was, ja zelfs interessant gevonden. In plaats daarvan zie ik regelmatig gespreksgenoten vaag voor zich uit staren, allervriendelijkst knikken en verward verder lopen.

Vorige maand besloten we eindelijk, bij wijze van goed voornemen voor het nieuwe jaar, de zolder te gaan uitmesten. De vorige eigenaresse had daar tien jaar geleden een heleboel troep achtergelaten en wij hadden daar zelf onze eigen rotzooi nog bovenop gemikt. Je weet tenslotte maar nooit of al die spullen die nu nutteloos lijken in de toekomst misschien van onmisbaar belang zullen zijn. Toen ik buiten voor de deur de geleende pick-up aan het volladen was met de afgekeurde attributen om deze definitief naar de vuilstort te brengen, kwam de overbuurvrouw een praatje maken.

“Gaan jullie verhuizen?” vroeg ze.

“Nee hoor, we zijn aan het opruimen.”

“Waar gaan jullie heen verhuizen?”

“We gaan niet verhuizen, we gaan wat rotzooi wegbrengen naar de vuilstort.”

“Mijn dochter vertelde al dat uw huis te koop staat en dat u vertrekt.”

“Dat klopt.” Ik bleef onverstoorbaar en legde nog éénmaal in mijn beste Frans uit: “Het huis staat te koop, maar voorlopig zitten we hier nog wel.”

“Jammer,” antwoordde ze goedbedoeld, “succes met de verhuizing”

Ze zal inmiddels wel begrepen hebben dat we er nog zijn. Observeren kent geen taal tenslotte. 

Het is natuurlijk niet alleen maar één groot communicatiedrama. Er zijn toehoorders die bij voorbaat al in paniek raken en denken, oh god, daar heb je háár, dat mens versta ik nooit, maar er zijn gelukkig ook een heleboel Fransen die meer openstaan voor mijn creatieve Frans. Bovendien klets ik zelf ook de ene dag soepeler dan de andere, afhankelijk van vermoeidheid, hormonen of humeur.

Toch heb ik de invloed van de taalbarrière onderschat. Ik ben hier in Frankrijk een heel ander persoon dan in Nederland. Wat mij écht bezig houdt kan ik hier niet goed tot uitdrukking brengen, op zijn hoogst op een wat simplistische wijze waarin de belangrijke nuances missen. Bovendien is taal ook een uitstraling naar buiten toe. Het is voor de luisteraar lastig om je niet onnozel, schattig of dom te vinden als je slecht uit je woorden komt en een zeer eenvoudig vocabulaire bezigt.

Nee, mijn ei kan ik hier in het Franse niet helemaal kwijt, wel inmiddels mijn frustratie. Nu de zolder is leeggeruimd is er plek ontstaan voor een pingpongtafel. Ik assisteer zoon bij het oefenen voor zijn sportexamen en laat hem, onder toeziend oog van de poes, alle hoeken van de tafel zien. Taalloos manifesteer ik mij in al mijn volledigheid. Hoezo schattig, onnozel of dom?

Meedogenloos.

Dorine

Eigenaar van Atelier-Do, een bouwkundig ontwerpbureau. Moeder van drie (bijna) volwassen kinderen. Tien jaar geleden met het hele gezin naar Frankrijk verhuisd. Plezierschrijver.

Meer Columns van mij - Website