Vis is vis, daar gaat het hem niet om. In mijn geval gaat het hem om diegene die er mee rondzeult: de visboer.

En die visboer is dan nog een buur van me. Echt veel contact is er nooit geweest sinds de bijna 3,5 jaar dat we er wonen. Zelfs een gewone goeiedag kan er niet van af. Een dikke nek tot in het kwadraat. En zijn vrouw is al niet veel beter.

Een landrover, mercedes, veel pretentie, maar weinig sympathie. Meerdere keren per week scheurt meneer met zijn tientonner voorbij onze oprit. Een dubbele oplegger vol vis, want dat is hij uiteindelijk, een visboer. Een onvriendelijke visboer zonder gène.

Telkens hij voorbij scheurt om uiteindelijk twee huizen verder tot stilstand te komen, kookt het bloed in mjn lichaam. Dan wil ik hem eens goed mijn gedacht zeggen, maar…ik durf niet.

Want het laatste wat ik wil is ruzie. De politie bellen is geen optie, want dat staat ook gelijk aan ruzie zoeken. De auto werd al meerdere malen aan de straatkant geplaatst zodat hij niet zou doorkunnen, maar zonder resultaat.

Ook dan komt hij met zijn tientonner op enkele centimers van de auto vandaan langs de oprit opgevlogen. Laatst scheelde het niet veel of hij zat er tegen. MAar ook toen durfden we niks zeggen.

Ja, wat kan je doen? Brullend naar hem toelopen om hem de les te spellen? Een blok van een vent en ik , klein duimpje.
Spijkers gooien? Of misschien van die veiligheidskegels plaatsen. Die laatste rijdt hij waarschijnljk ook nog zonder pardon om. “Oeps, niet gezien.”

Een briefje schrijven en in de bus droppen is ook nog één van de mogelijkheden. Maarook dan weer: komt er reactie op en zo ja, hoe en wat?

Het enige wat je hier verliest is je goed humeur en je positieve energie. Want die vervelende visboer blijft maar grote putten rijden met zijn dikke rode wangen, zonder gène , dag na dag.

En ik, ik stond er bij en keer er naar.