Vóór de tijd van Salomo hadden de Joden hun speciale plaatsten voor de aanbidding van God. Een ervan, die in de dagen van Mozes werd gebouwd, was een draagbare tabernakel, die kon worden meegenomen, waar het volk ook heenging. In de tijd van Salomo werd echter een tempel gebouwd die het middelpunt van de aanbidding werd. Na de verwoesting van de tempel door Nebukadnessar werd de synagoge de voornaamste plaats voor de Joodse aanbidding, zelfs toen de Joden vanuit de Babylonische ballingschap terugkeerden en hun tempel herbouwden. De synagoge werd een speciaal gebouw dat gelijk te stellen is met een hedendaags kerkgebouw of kapel. Dit bleef zo, ook toen de Joden over heel het rijk van de Grieken en Romeinen verspreid werden. Het was daarom niet meer dan natuurlijk dat Paulus, een Joodse christen, in elke stad eerst de synagoge ging bezoeken waarheen hij de boodschap van Christus bracht. (Zie bijvoorbeeld handelingen 13:5, 13:14, of 14:1.)

     De synagoge diende een tweeledig doel want het was niet alleen gereserveerd voor godsdienstige aangelegenheden het was ook het “onderwijscentrum” waar de Joodse kinderen dagelijks werden onderricht in de wet. Elke synagoge had zijn hoofd of overste, (Lucas 41, 46) wiens taak het was om elke week de orde van de openbare dienst vast te stellen en te zorgen voor een strakke uiterlijke waardigheid binnen het heiligdom.

     In elke synagoge waren de heilige boeken aanwezig en in het bijzonder de eerste vijf boeken (de Thora). In de tijd van Petrus en Paulus stond de wet van Mozes centraal en werden de voorschriften van deze wet door allen, die zich als getrouwe Joden beschouwden, voor onschendbaar gehouden. Het was niet meer dan vanzelfsprekend dat Petrus en Paulus, wilden zij de belangstelling en de aandacht van hun Joodse luisteraars op zich gericht houden, uitgebreid uit die heilige Schriften citeerden. Dat kunnen wij onder anderen vinden in Handelingen 2:16-21, 25-26, 3:22-26, 13:16-22, 35. Zo was ook de Joodse geschiedenis, zoals deze door Stefanus vóór zijn marteldood werd geciteerd, iets, waarmee elke Joodse jongen van twaalf jaar op de hoogte was. (Hand. 7.)  

     Dat alles verminderde de waarde van de heilige tempel niet. Integendeel zelfs. Een bezoek aan de tempel in Jeruzalem was altijd een bijzondere en belangrijke gebeurtenis. De tempel in de dagen van de apostelen had een binnenste en een buitenste voorhof en het was alleen de Joden toegestaan de binnenste voorhof te betreden. Zelfs dáár waren speciale afdelingen voor mannen, vrouwen en priesters. In de tempel zelf was het Heilige der Heiligen of het Allerheiligste wat alleen voor de hogepriester gereserveerd was en dan alleen nog op de Grote Verzoendag. De niet-Joden, die bekend stonden als heidenen, mochten alleen de buitenste voorhof betreden want op straffe des doods was het hun verboden om verder te gaan. Om een dergelijk “heiligschennis” te voorkomen was er een groot bord geplaatst tussen de binnenste en buitenste voorhof, zodat allen het konden zien. Er stond een speciale waarschuwing op om te voorkomen dat een niet-Jood binnendrong. Dit alles is belangrijk dit te weten om te kunnen begrijpen waarom Paulus volgens de Joden heiligschennis pleegde (Handelingen 21:27-29.) en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.