‘Opgegeven kankerpatiënten moet je geen dure behandeling aanbieden,’ zegt een jongeman. Ik sta langs de lijn bij een spannende pot hockey, naast zijn vader die mij zojuist vertelde dat zijn zoon politicus wil worden. De wereld beter maken. Om ervaring op te doen zit hij bij een jongerenpartij en hij heeft al een grandioze kostenbesparing voor ogen. Wrijvend over zijn kin gaat hij verder. ‘Of hooguit tot een bepaald bedrag. De pot van de ziekenzorg nadert de bodem en waarom zou je een leven willen rekken dat eigenlijk al mensonwaardig is?’
‘Pardon?’ Terwijl er ondanks protest een strafcorner niet wordt gegeven zet ik een verbaasde blik op.
‘Oei lala,’ zegt de aankomend politicus tegen niemand in het bijzonder, ‘waarom ziet hij niet wat ik duidelijk wel zie?’ Zonder een antwoord af te wachten legt hij een hand op mijn pols. ‘Ja, wat wil je liever: enkele mooie maanden of enkele jaren waarbij je de longen uit het lijf kotst?’
Als je het zo stelt dan lijkt de keuze inderdaad niet ingewikkeld. Zelfs mijn zus Annie zal hier niet lang over nagedacht hoeven hebben. Tot ze ziek werd. Borstkanker, uitzaaiingen in wervelkolom, verdacht plekje op de lever. Van de ene op andere dag kreeg ze een gipskorset, rolstoel en een ziekenhuisbed in de woonkamer. Prognose: minder dan een jaar bij slechts pijnbestrijding, anders rekte een zware behandeling het leven met een jaar of drie maar daar zaten dan wel zware momenten in. Annie koos het laatste. Ze wilde alles aangrijpen om nog iets langer hier te zijn. Ze wilde de zestig halen. Iets van haar kleinkinderen meemaken die nu nog in de luier zaten. Zwager Rien was vastbesloten om de slagerij te verkopen. Hij ging zijn vrouw verzorgen en de mooiste jaren uit haar leven geven. Maar in plaats van een ontroerende hoofdknik ontving hij een veeg uit de pan. ‘De tent verkopen? Ben jij gek! Dit is ons levenswerk. De zaak gaat door. Thuis kan ik de boekhouding nog doen, bestellingen opnemen, personeelsbeleid. Trouwens: als ik er straks niet meer ben moet jij de mooiste hammen blijven maken.’
Riens lippen bewogen maar voor hij iets kon zeggen kreeg hij te horen dat hij Annie de mooiste jaren pas zou geven door normaal te blijven doen en de tent draaiende te houden. Familieleden en vrienden genoeg die haar wilden verzorgen, naar het ziekenhuis konden brengen voor chemotherapie of weer een scan, of om gewoon lekker een stuk te wandelen.
Ook ik deed dat graag. Geen opoffering, evenmin een goede daad, ik deed het gewoon omdat ik graag bij haar wilde zijn. Urenlang spraken we over vroeger, over de slagerij en over het dagelijkse leven. En hoe grauw ze ook kon zien of hoe diep ze in de jas wegdook als ik glimlachend de rolstoel over een tochtige weg duwde: ik was met mijn zus, zelden met een patiënt. Zelfs op de dagbehandeling oncologie, als de zoveelste zak chemo haar aderen instroomde, hadden we het gezellig of in ieder geval goed.
Langzaamaan raakte haar lichaam op. Steeds meer uren bracht ze door in bed, zelfs zitten in de rolstoel deed nu pijn. Kanker in de lever nam toe, morfinepleisters maakten haar duf. Desondanks koos ze toch weer voor de zoveelste chemokuur. Ook nu bleef ze het leven omarmen. Tussen de pijnscheuten door genoot ze van de bloesem aan de boom achterin haar tuin, de vogels die vlak achter de schuifpui tegen een vetbolletje pikten, van het bezoek dat ze bijna dagelijks ontving en in de eerste plaats van haar gezin. En ook al waren de kleinkinderen soms erg druk om haar bed, zolang zij in de buurt waren leek de glimlach op haar gezicht nooit meer te verdwijnen. Die jochies waren de moeite waard om de komende twee weken opnieuw naar de klote te gaan, daarna kwamen er immers weer enkele mooie dagen. Het was een deal die ze sloot met de kanker. Nu is het jouw beurt, volgende week die van mij. Iets minder dan drie jaar na de diagnose besloot zij samen met de oncoloog dat verder kuren geen zin meer had. De kanker groeide te snel en het werd nu echt te zwaar. Het was goed zo. Enkele weken later gingen we verder met slechts fantastische en rijke herinneringen aan haar.
Terwijl ik dit verhaal vertel en het spel voor onze neus gewoon verder gaat na de domme overtreding die zojuist niet is gezien, humt de jonge politicus af en toe, zoals hij waarschijnlijk altijd tussendoor humt. Zijn vader staart voor zich uit en op mijn vraag wie zonder schaamte mijn zus twee mooie jaren had durven ontnemen, slikken ze beide. Ik kijk de jongeman recht in de ogen en zeg: ‘De kwaliteit van leven fluctueert blijkbaar niet mee met de mogelijkheden. Politieke keuzes maken alsof dat per definitie wel het geval zou zijn, dat vind ik pas mensonwaardig. Kwaadaardig misschien wel.’
Zojuist is er vanaf de achterlijn een lange bal richting de diepe spits geslagen. Vader lijkt het niet te zien, hij staart nog steeds voor zich uit, terwijl de zoon me aankijkt alsof ik een geestverschijning ben. Maar hij herpakt zich snel als een waar politicus. ‘Oké, stel dat je hierin gelijk hebt, stel, dan blijft nog steeds overeind dat jouw zus de maatschappij veel gekost heeft. Geld dat er eigenlijk niet is. Als politicus zal ik zaken rationeel moeten benaderen. Sorry als ik bot overkom.’
De spits denkt te scoren maar slaat de bal snoeihard voorbij het doel, waarna een verdediger direct wegwerkt. Ik haal mijn schouders op en zucht een keer. ‘Voor de ziektekostenverzekering lijkt ze een dure geweest te zijn, dat is waar. Maar ja, haar leven lang hard gewerkt. Veel geld afgedragen aan sociale verkeringen en pensioen. Nooit zal ze daar één cent van zien. Nooit zal ze naar een verzorgingshuis hoeven. Niet regelmatig een doktersbezoek zoals veel oude mensen moeten doen. Annie was niet duur, Annie heeft de samenleving veel geld bespaard.’
Shit! Een loepzuiver doelpunt wordt onterecht afgefloten. Met beide handen voor zijn ogen schudt de jong politicus langdurig zijn hoofd. ‘Ongelofelijk dat wij het langs de lijn weer eens beter zien dan de scheidsrechter,’ moppert hij, waardoor ik de opmerking dat we eigenlijk maar boffen met mensen zoals Annie ineens inslik. Ook dat zijn idee net zo dodelijk is als de kanker zelf slik ik in. In plaats daarvan leg ik nu een hand op zijn pols. ‘Luister, wanneer het leven mensonwaardig is, dat is niet aan een bedrag te hangen, dat is wettelijk niet vast te leggen. Slechts wie dichtbij staan zijn in staat om dat punt te bepalen en geloof me: de oncoloog en de patiënt hebben het bijna altijd bij het rechte eind.’
Er wordt gejuicht. Eindelijk is er gescoord, al zegt de jongeman tijdens de spelhervatting dat de scheidsrechter deze goal nooit had mogen goedkeuren. En opnieuw schudt hij langdurig zijn hoofd. Een schuine glimlach op zijn gladgeschoren gezicht. Ten slotte opent hij zijn mond maar voor hij iets kan zeggen wendt de vader zich tot zijn zoon. ‘Jongen, stel dat ik straks ziek word. Ik wil zo lang mogelijk bij jullie blijven maar omdat er geen geld voor is, sterf ik snel. Zeg je dan bij het afscheidswoord, het is goed zo?’ Hij eigent zich de jongeman zijn blik toe. ‘Eerlijk antwoorden, wat zeg je liever bij het wegzakken van mijn kist: helaas kon hij niet meer of helaas kon hét niet meer?’
De scheidsrechter fluit af. Eindelijk rust.

Wanneer is het mensonwaardig?
Aantal stemmen:3 Gemiddeld: 3.7
Jan Kouwenhoven

Jan Kouwenhoven

Jan Kouwenhoven (1967) is schrijver en hr-professional. Hij groeide op in het Noord-Hollandse Bennebroek, een dorp nabij Zandvoort. Hoewel zijn hart nog steeds sneller klopt aan de kust, voelt hij zich helemaal thuis in Wijk bij Duurstede, een pittoresk stadje in het hart van het land, waar Jan sinds 1989 helemaal verknocht aan is. Zijn droom is nooit geweest om een boek op zijn naam te hebben, maar een goed boek dat waar voor zijn geld biedt. Eén dat de lezer niet gemakkelijk weglegt. Of dat gelukt is, is aan de lezer. 1 juli 2014 debuteert hij met zijn eerste thriller De Worsteling.

Meer Columns van mij